Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU1219
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Het besluit is ter zake van de arbeidskundige grondslag, maar ook wat betreft de keuze van de maatmanfunctie ondeugdelijk gemotiveerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5794 WAO en 04/1133 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 11 april 2002 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde ongegrond verklaard het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2001, houdende toekenning aan appellante met ingang van 30 januari 2001 van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank Arnhem heeft het namens appellante ingestelde beroep tegen besluit 1 bij uitspraak van 16 oktober 2003, reg.nr. 02/1052 WAO, gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.

Tegen deze uitspraak heeft mr. F. Koser Kaya, destijds advocaat te Utrecht, namens appellante op bij aanvullend beroepschrift aangeven gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft bij brief van 20 februari 2004 een rapport met bijlagen van de bezwaararbeidsdeskundige M.A. Oudenaller van 24 oktober 2003 en een nieuwe beslissing op bezwaar van 30 oktober 2003 ingezonden. Bij deze - ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank gegeven - nieuwe beslissing op bezwaar (hierna: besluit 2) heeft gedaagde het hiervoor genoemde bezwaar van appellante gegrond verklaard en beslist dat appellant met ingang van 30 januari 2001 voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.
Gedaagde heeft voorts op 8 maart 2004 een verweerschrift, met bijlagen, overgelegd.

Namens appellante is bij brief van 23 april 2004 op besluit 2 gereageerd.
Bij brieven van 22 en 23 juni 2005 juni heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Utrecht en opvolgend gemachtigde van appellante, nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 juli 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Meerbach, en waar namens gedaagde is verschenen mr. E. van Hilten, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was tot juni 1999 werkzaam als medewerkster administratieve ondersteuning bij een bank en vanaf juni 1999 als medewerkster interne controle aldaar. Zij viel uit op 1 februari 2000 als gevolg van surmenageklachten. In het kader van een beoordeling van haar aanspraak op een WAO-uitkering in aansluiting op het voltooien van de wettelijke wachttijd is appellante op 11 januari 2001 onderzocht door de verzekeringsarts P. Dienske. Blijkens zijn rapport van dezelfde datum stelde Dienske als diagnose: “aanpassingsstoornis, gemengd angstig/depressief”. De door Dienske vastgestelde beperkingen betroffen met name stress en werkdruk, alsmede in mindere mate fysieke inspanning. Een noodzaak voor een bijkomende urenbeperking zag Dienske niet en hij legde zijn bevindingen vast in het handgeschreven FIS-formulier van 12 januari 2001. Daarin nam hij ondere andere beperkingen op ten aanzien van de onderdelen 7 (gebogen werken), 13 (tillen), 28A (werken onder tijdsdruk), 28D (conflicterende functie-eisen) en 28E (conflicthantering). Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 8 februari 2001 selecteerde de arbeidsdeskundige H.C. Groen een vijftal functies en berekende hij, uitgaande van de middelste van de drie hoogst verlonende functies, het verlies aan verdiencapaciteit op 33,29%. Daarbij ging Groen blijkens zijn rapport van 19 februari 2001 niet uit van de laatstelijk verrichte werkzaamheden als maatmanfunctie, omdat appellante in de laatste functie alleen stages deed en niet aan de werkelijke taken toekwam en daarvoor ook niet de opleiding en affiniteit had. Om die reden beschouwde Groen de voorlaatste functie van medewerker administratieve ondersteuning als de maatmanfunctie van appellante. Vervolgens nam gedaagde het primaire besluit van 13 maart 2001.

In de bezwaarprocedure wees appellante tijdens de hoorzitting er op dat na het afronden van de SPD-opleiding haar voorlaatste functie niet meer passend was, dat haar nieuwe functie een opleidingstraject kende van 15 maanden en dat zij hieraan voorafgaand een stage heeft gelopen. Appellante legde voorts twee verslagen van stagebesprekingen over. De bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg, die deze hoorzitting ook bijwoonde, ontving blijkens zijn rapport van 20 juli 2001 informatie van de huisarts van appellante van 14 mei 2001, die onder andere melding maakte van haar klachten van benauwdheid en slijmproductie en haar verwees voor onderzoek naar de longarts, en van de haptotherapeut J. de Haas. Ruitenberg verbreedde de diagnose van Dienske met longklachten n.n.o. en nek- en schouderklachten zonder anatomisch of klinisch substraat en hij zag geen medische reden om af te wijken van het medisch oordeel van Dienske. De bezwaararbeidsdeskundige R.J. Driesprong vermeldde vervolgens in het rapport van 12 maart 2002 dat uit overleg met de werkgever naar voren was gekomen dat appellante tijdens de stages de ondersteunende taken naar behoren heeft uitgevoerd maar dat zij niet in staat is gebleken de kerntaken naar behoren te verrichten, waarop zij ook is aangesproken. Gelet hierop onderschreef Driesprong de conclusie van Groen ten aanzien van de aan te houden maatmanfunctie. Daarna handhaafde gedaagde bij besluit 1 het primaire besluit.

In beroep is namens appellante ter onderbouwing van het standpunt dat vanwege gedaagde haar beperkingen waren onderschat een rapport van een bij appellante in maart 2002 verricht psychologisch onderzoek en een rapport van de longarts van 13 augustus 2001 overgelegd. In reactie op eerstgenoemd rapport wees Ruitenberg in zijn rapport van 6 juni 2002 erop dat het psychologisch rapport geen objectiveerbare medische feiten bevat welke geldig zijn voor de datum in geding.

De rechtbank zag in de rapporten van het verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek en in de reactie van Ruitenberg op de in beroep verstrekte informatie geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 onderschreef de rechtbank de conclusies van Groen en Driesprong met betrekking tot de keuze van de maatmanfunctie en volgde zij ook niet het standpunt van appellante ten aanzien van het niet meenemen door gedaagde in het maatmanloon van de werkgeversbijdrage in de pensioen- en VUT-premies.
De rechtbank achtte het beroep niettemin gegrond en vernietigde besluit 1 omdat zij de motivering van de aanvaardbaarheid van de ruime overschrijding van de belastbaarheid van appellante ten aanzien van het tillen in de functie inlegger/inmaker vis in het hiervoor genoemde rapport van Groen niet overtuigend achtte.
In hoger beroep zijn namens appellante de in eerde fasen van de procedure voorgebrachte bezwaren in essentie herhaald. Daarnaast had volgens appellante ook de overschrijding van de tilbelasting in de functie inpakker moeten leiden tot het oordeel dat deze functie voor haar ongeschikt is. Voorts achtte appellante de motivering door Groen van de overschrijding van de belasting op de onderdelen 28A, D en E in tot de fb-code 3931 behorende functies niet aanvaardbaar. Ten slotte heeft appellante gewezen op het ontbreken van een beperking voor het gebruik van de nek.

In reactie hierop heeft Ruitenberg in zijn rapport van 24 februari 2002 er op gewezen dat de longproblematiek van appellante tijdens de hoorzitting reeds ter sprake is geweest en dat uit de informatie van de longarts blijkt dat sprake is van een lichte astma bronchiale met sensibilisatie voor een groot aantal aero-allergenen en tevens dat bij het longfunctieonderzoek de longfunctiewaarden normaal waren. Volgens Ruitenberg zijn er door de longarts verder geen ernstige afwijkingen gevonden en zijn er slechts lichte beperkingen in die zin dat alleen voortdurende blootstelling aan hoge concentraties stof, rook, gassen en dampen niet is toegestaan. Aan deze beperkingen voldoen, aldus Ruitenberg, de door Groen geduide functies.

In hoger beroep heeft gedaagde voorts ter uitvoering van de aangevallen uitspraak besluit 2 genomen. Daarin is - onder verwijzing naar het rapport van Oudenaller - aangegeven dat de functie van inlegger/inmaker vis als niet passend komt te vervallen. Tevens heeft gedaagde één van de drie tot de fb-code 9717 behorende functies inpakker met het functienr. 2084-0097-001 en de beide tot de fb-code 3931 behorende functies back-officer laten vallen omdat deze naar zijn mening onvoldoende actueel zijn.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat gedaagde met het nemen van besluit 2, waarbij in verband met een nadere arbeidskundige beoordeling de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding is verhoogd naar 35 tot 45%, in feite besluit 1 heeft ingetrokken. Nu van de zijde van appellante is aangegeven dat besluit 2 niet geheel aan haar beroep tegen besluit 1 tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2. Uit een en ander volgt in het licht van de vaste jurisprudentie van de Raad ter zake dat in het onderhavige geval het belang van appellante bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1 is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding. Namens appellante is in hoger beroep verzocht om vergoeding van de wettelijke rente als schadevergoeding, zodat het procesbelang als evenbedoeld niet is komen te vervallen.

Ten aanzien van de besluit 1, de aangevallen uitspraak en besluit 2 oordeelt de Raad als volgt.

Wat betreft de medische grondslag van besluit 1, welke overigens dezelfde is als die van besluit 2, ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven. De Raad wijst, naast de door de rechtbank genoemde rapporten van Dienske en Ruitenberg op het nadere, in hoger beroep uitgebrachte rapport van Ruitenberg, waarin hij gemotiveerd ingaat op de bevindingen van de longarts. De Raad ziet voorts, gezien de omschrijving van de - ten opzichte van die van Dienske verruimde - diagnose door Ruitenberg in de bezwaarprocedure, geen aanleiding voor het oordeel dat vanwege gedaagde ten onrechte niet ook een beperking van het gebruik van de nek is aangenomen. Verder bevatten de gedingstukken naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten om het verzekeringsgeneeskundig oordeel dat er geen noodzaak is om ten aanzien van appellante naast de vastgestelde beperkingen op het onderdeel 28 een urenbeperking aan te nemen onjuist is. Tenslotte zien de door de gemachtigde van appellante op 22 juni 2005 ingebrachte medische informatie van de behandelend KNO-arts van 10 juni 2004 en de informatie van de haptotherapeut de Haas van 10 juni 2004 niet op de datum in geding, terwijl voorts de informatie van de longarts reeds eerder ingebrachte gegevens betreft.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van de besluiten 1 en 2 overweegt de Raad in de eerste plaats dat de gemachtigde van appellante ter zitting heeft meegedeeld de grieven met betrekking tot de betekenis van de werkgeversbijdrage in de pensioen- en VUT-premies voor de vaststelling van het maatmaninkomen niet langer te handhaven, zodat deze grieven geen verdere bespreking behoeven. De Raad stelt voorts vast dat gedaagde met het nemen van besluit 2 het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de in besluit 1 begrepen functie inlegger/inmaker vis in feite onderschrijft. De Raad is verder van oordeel dat de belasting in de uiteindelijk aan de schatting van appellante bij besluit 2 ten grondslag liggende functies behorende tot de fb-codes 3935 (verzekeringsemployé), 9717(inpakker) en 7964 (naaister-stikster meubelkleding) de voor haar vastgestelde fysieke en psychische belastbaarheid niet overschrijdt. Weliswaar zijn er markeringen geplaatst bij één van de tot de fb-code 9717 behorende functies ten aanzien van de onderdelen buigen of torderen en tillen, doch de Raad is met gedaagde van oordeel dat de betreffende overschrijdingen vallen binnen de aanvaardbaar geachte marges gevormd door een hogere mate gepaard gaande met een lagere frequentie van de betreffende belasting.
Ten aanzien van de aan de besluiten 1 en 2 ten grondslag gelegde keuze voor de maatmanfunctie, welke wat betreft besluit 1 door de rechtbank is gevolgd, overweegt de Raad dat de gemachtigde van appellante ter zitting onweersproken heeft gesteld dat appellante wel degelijk het voor de functie medewerker interne controle vereiste opleidingsniveau heeft en dat deze functie, zoals ook op de hoorzitting ter sprake kwam, een opleidingstraject van 15 maanden kende. Voorts heeft deze gemachtigde op 23 juni 2005 een nog op 1 januari 2000 gedateerde functioneringsbeoordeling in deze functie overgelegd met als algemeen oordeel “3 voldoende”. Gevoegd bij de reeds in het dossier aanwezige verslagen van gesprekken omtrent de door appellante gelopen stage valt naar het oordeel van de Raad niet in te zien dat appellante bij aanvang van de laatstelijk verrichte functie daarvoor niet geschikt is geweest dan wel tijdens de vervulling van die functie blijk heeft gegeven van ongeschiktheid daarvoor. In dit verband kan er naar het oordeel van de Raad ook niet aan worden voorbijgezien dat uit het rapport van Driesprong geenszins duidelijk wordt van welke functionaris van de werkgever Driesprong de door hem genoemde gegevens heeft verkregen en dat ook de gemachtigde van gedaagde ter zitting niet kon verklaren hoe de betreffende passage in dit rapport zich verhoudt tot hetgeen ter zitting naar voren is gebracht omtrent het functioneren van appellante en met name tot de evenvermelde beoordeling. Gelet op al deze feiten en omstandigheden ziet de Raad ook voor het onderhavige geval onvoldoende aanleiding om een uitzondering aan te kunnen nemen op het in vaste jurisprudentie verwoorde uitgangspunt dat als maatman moet worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichtte. Dit oordeel brengt mee dat voor appellante als maatman heeft te gelden de functie van medewerkster interne controle en dat de besluiten 1 en 2 wat betreft de keuze van de maatman berusten op een ondeugdelijke motivering. De Raad stelt voorts vast dat ter zitting geen zekerheid kon worden verkregen omtrent de relevante inkomensbestanddelen van de functie medewerker interne controle op het einde van de wachttijd en derhalve van de gevolgen van dit oordeel van de Raad voor de berekening van de restverdiencapaciteit.

Al het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de arbeidskundige grondslag van besluit 1, behalve het reeds in de aangevallen uitspraak besproken gebrek, ook wat betreft de keuze van de maatmanfunctie ondeugdelijk gemotiveerd is, dat besluit 1 derhalve ook ten aanzien van dit aspect is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, te weten in zoverre het betreft de grondslag van de daarbij uitgesproken vernietiging van besluit 1, dient te worden bevestigd met verbetering van gronden, dat het beroep dat wordt geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2 gegrond moet worden verklaard en dat besluit 2 eveneens dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Gedaagde zal, gelet op al het vorenstaande en in lijn met het bevestigde gedeelte van de aangevallen uitspraak, andermaal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met tevens inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat ook besluit 2 wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat gedaagde andermaal een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over vergoeding van renteschade, zoals door de gemachtigde van appellante is gevorderd, uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit op bezwaar zal gaan luiden.
Gedaagde zal bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten met dien verstande dat gedaagde bij het andermaal nemen van een nieuw besluit op bezwaar ingevolge de in de aangevallen uitspraak vervatte opdracht tevens in acht neemt hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 87,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x