Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU1451
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de intrekking van de WAO-uitkering terecht? Betrokkene is uitgevallen met psychische klachten na de functiewijziging tengevolge van een reorganisatie. Is betrokkene geschikt voor het maatgevende werk?
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/198 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 24 juli 2003 heeft gedaagde de eerder aan [naam werknemer], wonende te [woonplaats], (hierna: de werknemer) verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 30 juni 2003 ingetrokken, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

Het tegen dit besluit door appellante, de voormalige werkgever van de werknemer, gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van 22 januari 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 1 december 2004 (reg.nr. 04/469 WAO) het tegen laatstgenoemd besluit (het bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. N.V. van der Leeuw, hoofd Personeel & Organisatie a.i., op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het onderhavige beroep alsnog gegrond te verklaren; alsmede een hernieuwd onderzoek te gelasten naar de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

Bij brief van 27 januari 2005 (met bijlage) heeft de werknemer meegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen en zijn zienswijze gegeven. Bij brief van 28 februari 2005 heeft de werknemer gereageerd op het aanvullend beroepschrift.

Gedaagde heeft bij schrijven van 23 maart 2005 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 mei 2005, waar appellante is verschenen bij mr. Van der Leeuw, voornoemd, waar de werknemer in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Werknemer is gedurende 40 uur per week in dienst van appellante werkzaam geweest als (meewerkend) voorman elektromontage. Als gevolg van een reorganisatie verviel per 1 oktober 1997 deze functie en zou werknemer worden ingezet bij ander werk van lager niveau. In verband met deze door de werknemer als krenkend ervaren beslissing van de werkgever heeft hij zich met psychische klachten per 1 oktober 1997 ziek gemeld. In januari 1998 heeft de werknemer voor een beperkt aantal uren per week bij appellante hervat. Bij einde wachttijd is de werknemer in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO, welke laatstelijk met ingang van 1 juli 2000 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Aan dit besluit heeft gedaagde het rapport van 31 januari 2000 van de verzekeringsarts S.E. Quanjer ten grondslag gelegd. Deze is op basis van zijn onderzoek tot de conclusie gekomen dat de werknemer fysiek en psychisch in zijn werk bij appellante en in andersoortig werk niet voor meer dan zes uur per dag, 30 uur per week belastbaar is. De arbeidsdeskundige H. Drenth is na onderzoek en overleg met de werkgever tot de conclusie gekomen dat de werknemer voor 30 uur in de week geschikt is zijn eigen werk van voorman elektromontage te verrichten, mits zonder al teveel druk en in enigszins afgebakende taken. Wellicht is uitbouw naar fulltime werkzaamheden te zijner tijd weer aan de orde, aldus deze arbeidsdeskundige. Omdat een schatting op basis van de feitelijke verdiensten van de werknemer een lager verlies aan verdiencapaciteit opleverde dan bij een zogeheten theoretische schatting het geval zou zijn, heeft de arbeidsdeskundige op basis van die verdiensten de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 40,59%, hetgeen leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.
Bij formulierschrijven van 1 mei 2003 heeft de werknemer gedaagde verzocht de arbeidsongeschiktheidsuitkering voort te zetten. Daaropvolgend heeft de verzekeringsarts B. Loembé de werknemer op zijn spreekuur gezien en geconcludeerd dat de werknemer zijn eigen werk voor 30 uur had hervat en dat hij weer in staat was dit werk volledig uit te voeren. De arbeidsdeskundige R. Smit heeft, na telefonisch contact met de werkgever op 25 juni 2003, de werknemer, gelet op zijn belastbaarheid en de belastende aspecten van de eigen functie, weer in staat geacht zijn eigen werk volledig te verrichten. In de bezwaarfase van de besluitvorming heeft appellante aangevoerd dat de werknemer nog steeds dezelfde medische beperkingen had als aangegeven in het op 31 januari 2000 vastgestelde belastbaarheidspatroon, dat het functioneren van de werknemer matig tot minimaal was en dat de werknemer niet in staat was zijn werk als voorman elektronica te verrichten vanwege een alsdan te verwachten toename in hevigheid van migraineaanvallen. De bezwaarverzekeringsarts I.L. Hoornstra heeft naar aanleiding hiervan op 2 december 2003 met de werknemer telefonisch contact gehad en hem geconfronteerd met de zienswijze van appellante. De werknemer heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij al steeds meer zijn oude taken had opgepakt, dat hij geen psychische klachten meer had en dat hij zich volledig in staat achtte zijn eigen werk te doen. Voorts bleek dat de werknemer (na daadwerkelijk voltijds per 30 juni 2003 hervat te hebben) sedert 1 augustus 2003 thuis was, omdat de fabriek van appellante was gesloten, 180 man collectief ontslag had gekregen en de ontslagvergunning voor hem klaarlag.

De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn rapport van 29 december 2003 zijn standpunt als volgt verwoord:
“Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is voldoende uitvoerig en zorgvuldig geschied. De gemachtigde van werkgever heeft een andere mening, maar geeft niet aan wat er dan nog aanvullend had dienen te geschieden. De psychische klachten zijn geweken en de migraine is volledig onder controle dankzij optimale medicatie. De door gemachtigde genoemde klachten die hij nog zou hebben, worden niet door hem bevestigd. Er is geen enkele reden hem een urenbeperking op te leggen en evenmin een beperking voor stress. Bovendien ervoer hij in het eigen werk van voorman geen stress. Gezien de onderzoeksbevindingen zijn er geen gronden voor arbeidsongeschiktheid. Derhalve is terecht gesteld dat hij geschikt is voor het eigen werk en overigens ook voor ander passend werk.
Conclusie: Er zijn geen medische feiten die aanleiding geven het standpunt van de primaire verzekeringsarts te herzien.”

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde dit standpunt gevolgd en de intrekking van de WAO-uitkering van de werknemer gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en dat zij geen aanleiding heeft tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat zij had moeten worden geraadpleegd omtrent het functioneren van haar werknemer. Daarbij heeft de rechtbank mede betekenis toegekend aan de omstandigheid dat appellante van de mogelijkheid om haar grieven tijdens een hoorzitting toe te lichten, geen gebruik heeft gemaakt.

In hoger beroep heeft appellante haar grieven tegen de medische oordeelsvorming herhaald en opnieuw gesteld dat het voor de hand had gelegen als zij bij het onderzoek naar de arbeidsgeschiktheid van de werknemer was betrokken. Daarnaast heeft appellante gewezen op de inmiddels door de Raad gevormde jurisprudentie betreffende het Claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) en in het bijzonder op de daarin op dit systeem geuite kritiek. Appellante heeft aangevoerd dat het voor haar niet valt te verifiëren of de tot dit systeem behorende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is ingevuld, zo ja hoe deze is ingevuld en of de daarin opgenomen beperkingen toelaten dat de werknemer zijn oude werk weer vervult. Nu de medische toestand van de werknemer vergeleken met die op 31 januari 2000 niet wezenlijk verschilde, was een extra motivering waarom de werknemer weer volledig arbeidsgeschikt werd geacht, noodzakelijk geweest. Een nieuw medisch onderzoek acht appellante daarom noodzakelijk.

Gedaagde heeft bij verweerschrift aangevoerd dat uit de door de werknemer ingevulde vragenlijst bleek dat hij niet meer onder medische behandeling was, zodat het inwinnen van informatie geen toegevoegde waarde had. Aangezien de werknemer geen lichamelijke klachten had die door de bezwaarverzekeringsarts onderzocht konden worden, is volstaan met het inwinnen van informatie bij de werknemer. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat als appellante relevante informatie had met betrekking tot de arbeidsgeschiktheid van de werknemer zij die tijdens de bezwaarprocedure naar voren had kunnen brengen, hetgeen niet is geschied.

De werknemer heeft bij brief van 28 februari 2005 aangevoerd dat hij sedert een brand in de fabriek van appellante in februari 2001 steeds meer zijn oude werk is gaan oppakken en dat in het kader van het voornemen van appellante om tot collectief ontslag over te gaan overleg is gevoerd tussen hem en zijn directe chef over voltijdse hervatting. Die hervatting had diens instemming op voorwaarde dat gedaagde de werknemer daarvoor zou goedkeuren. Toen het besluit in primo hem ter kennis was gebracht heeft hij, aldus de werknemer, zijn werk onmiddellijk voor de volle 100% hervat. De werkgever heeft hiertegen tot en met de laatste dag dat hij werkte geen enkel bezwaar gemaakt.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank, onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne.
Daarbij overweegt de Raad naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd nog het volgende.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad veronderstelt de geschiktheid voor de maatgevende arbeid, zijnde in beginsel de laatstelijk voor de uitval verrichte werkzaamheden, dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Nu de verzekeringsarts Loembé geen medische beperking (meer) bij de werknemer kon vaststellen (en om die reden de FML niet van scores heeft voorzien), moet van die geschiktheid voor de maatgevende arbeid worden uitgegaan. Appellante heeft behoudens een verwijzing naar de gezondheidssituatie van de werknemer in het jaar 2000 op geen enkele wijze onderbouwd, bij voorbeeld door overlegging van gegevens van haar bedrijfsgeneeskundige dienst, dat ten tijde hier in geding, 30 juni 2003, de medische situatie van de werknemer wezenlijk anders was dan die waarvan gedaagde bij het bestreden besluit is uitgegaan.

De Raad vermag voorts niet in te zien wat overleg tussen appellante (die geen medicus is) en de verzekeringsarts voor invloed zou hebben gehad op diens oordeel dat bij de werknemer geen medische beperkingen meer bestonden, nog daargelaten of daartoe, waarop appellantes grief neerkomt, een rechtsplicht bestond.

De grieven van appellante tegen het CBBS, in hoofdzaak neerkomend op een herhaling van hetgeen daaromtrent door de Raad in zijn inmiddels gevormde jurisprudentie is overwogen, laat de Raad verder onbesproken, omdat die aan het voorgaande niet afdoen.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x