Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU1890
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning WAO-uitkering met terugwerkende kracht van één jaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig voor verdergaande terugwerkende kracht.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/3358 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Frankrijk), appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. G.J.A. Manders, advocaat te Deurne, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 mei 2003, nr. 01/1079 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juli 2005, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne, en waar gedaagde zich - met kennisgeving - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant is geboren [in] 1950 en is vanaf 1967 werkzaam geweest, laatstelijk vanaf 1977 tot in 1986 of 1987 bij Helso Bedrijven te Helmond. Vervolgens heeft hij een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente Asten. Vanaf 1989 is op verzoek van de gemeente Asten door de Gewestelijke Gezondheidsdienst Helmond enkele keren onderzoek gedaan naar de arbeidsgeschiktheid van appellant. Nadat appellant in 1995 nog arbeidsgeschikt werd geacht door voornoemde dienst is appellant in 1998 volledig en blijvend arbeidsongeschikt geacht.

Op 13 juli 2000 heeft appellant een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend bij gedaagde. Daarbij heeft hij aangegeven dat zijn arbeidsongeschiktheid samenhangt met traumatische ervaringen in zijn jeugd. Gedaagdes verzekeringsarts is na onderzoek van appellant en na kennisneming van verkregen medische informatie omtrent appellant, tot de slotsom gekomen dat al langere tijd psychische beperkingen bij appellant hebben bestaan, maar dat hij daarmee toch redelijk heeft kunnen functioneren. Vanaf omstreeks 1 januari 1986 is volgens deze arts sprake van een psychische decompensatie die ertoe heeft geleid dat bij appellant sprake is van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, waardoor hij sindsdien volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij besluit van 31 oktober 2000 heeft gedaagde een uitkering ingevolge de WAO aan appellant toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is overwogen dat appellant op 30 december 1986 gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, maar dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de datum van aanvraag, dus per 13 juli 1999. Bijzondere omstandigheden welke ertoe kunnen leiden dat afgeweken wordt van de termijn van één jaar zijn volgens gedaagde niet aan te wijzen.

In de bezwaarfase is aangevoerd dat appellant lange tijd geen hulp heeft gezocht voor de traumatische ervaringen uit zijn jeugd, omdat hij niet in staat was er met anderen over te praten. Bij beslissing op bezwaar van 22 maart 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is onder verwijzing naar een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts overwogen dat er vanuit medisch perspectief geen bijzondere omstandigheden naar voren zijn gekomen waardoor appellant niet eerder een WAO-uitkering had kunnen aanvragen.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan een rapportage van de psychiater D. Kok, die op verzoek van de rechtbank heeft gerapporteerd. Deze deskundige heeft aangegeven dat het appellant op en na 30 december 1986 duidelijk was dat er sprake was van paniekerigheid en de daarmee samenhangende verschijnselen, waarvan hij aanzienlijke beperkingen ondervond, zodat hij zich ziek meldde. Verder heeft deze psychiater vastgesteld dat appellant gedurende de gehele periode van 30 december 1986 tot 13 juli 2000 in staat was om een aanvraag om een uitkering in te dienen, maar dat hij van diverse zijden het advies kreeg om dat niet te doen. De psychiater is van oordeel dat er met een steunende benadering van een deskundige, die bijvoorbeeld de weerstand bemerkt zou hebben, een mogelijkheid bestaan zou hebben om een aanvraag te doen.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat door de rechtbank en psychiater Kok is miskend dat er voor appellant vanaf 1986 nog een absolute barrière bestond om over zijn problemen te spreken, waardoor voor hem de belemmeringen net zo groot waren als voor iemand die fysiek niet in staat was een aanvraag in te dienen.

De Raad stelt vast dat tussen partijen slechts in geschil is of gedaagde terecht heeft besloten dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO. Ten aanzien van dit geschilpunt overweegt de Raad het volgende.

Blijkens vaste rechtspraak van de Raad is van een bijzonder geval onder meer sprake, indien een betrokkene ter zake van een te late aanvraag redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te zijn geweest. Een zodanige situatie wordt aangenomen in gevallen waarin een betrokkene om medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl tevens geen beroep kon worden gedaan op personen in de directe omgeving.

De Raad constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant vanaf 1986 in staat was om een aanvraag in te dienen. Het standpunt van appellant komt er in de kern op neer dat hij zich aanvankelijk niet bewust is geweest van de gevolgen van de traumatische ervaringen in zijn jeugd voor zijn arbeidsgeschiktheid en dat hij, nadat hij daar meer zicht op had gekregen, vervolgens niet in staat was daarover met anderen te spreken.

De Raad acht het aannemelijk geworden dat appellant zich aanvankelijk niet bewust is geweest van de gevolgen van de hem overkomen traumatische ervaringen in zijn jeugd. Toen een en ander appellant na verloop van tijd duidelijk werd heeft het vervolgens nog diverse jaren geduurd voordat appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangevraagd. De Raad is van oordeel dat op grond van de thans bekende gegevens niet geconcludeerd kan worden dat appellant op psychische gronden niet in staat was eerder een aanvraag in te dienen. Daarbij kent ook de Raad belangrijke betekenis toe aan de rapportages van de psychiater D. Kok, die desgevraagd heeft aangegeven dat appellant met behulp van anderen, door middel van een steunende benadering, daartoe in staat was. De Raad kan er in dit verband ook niet aan voorbij zien dat appellant reeds voor of omstreeks 1990 met een maatschappelijk werker uitgebreid heeft gesproken over zijn traumatische ervaringen en de gevolgen daarvan voor verplichtingen in het kader van de Algemene bijstandswet, waaronder de beschikbaarstelling voor arbeid. In verband met deze verplichtingen hebben ook enkele medische onderzoeken plaatsgevonden, waarbij appellant in 1998 uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt is geacht. De Raad is gelet op al deze omstandigheden van oordeel dat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat appellant buiten staat was om voor 13 juli 2000 met ondersteuning en begeleiding van personen in zijn nabije omgeving een aanvraag om een WAO-uitkering in te dienen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) C.D.A. Bos.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x