Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU1914
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. Geschiktheid voor de voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/5623 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende in Turkije, appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant, heeft mr. R.M.J. Lanting, advocaat te Deventer, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 3 oktober 2003, onder reg.nr. AWB 02/1090 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 juli 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Lanting, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. N. Strikwerda, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, die laatstelijk werkzaam was als operator, is op 12 januari 1987 uitgevallen wegens rugklachten. Nadien heeft hij ook psychische klachten gekregen. De aan hem toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Appellant is in 1998 met behoud van uitkering naar Turkije teruggekeerd.

In het kader van een herbeoordeling is appellant op 13 juli 1999 in Turkije onderzocht door dr. O.A. Sarp, die onder andere op basis van medische informatie van psychiater dr. M.E. Tunca, fysiotherapeut en revalidatiespecialist dr. C. Tunalioglu en radioloog dr. A. ÷zdemir, een aanpassingsstoornis met een depressieve stemming en lumbale discopathie constateert. Op basis van het uitgebreide rapport van dr. Sarp en de informatie uit de curatieve sector heeft verzekeringsarts L.J. Schaap met inachtneming van deze beperkingen een zogenoemd belastbaarheidspatroon opgesteld. Vervolgens zijn door arbeidsdeskundige J. Roggeveen overeenkomstig dit belastbaarheidspatroon functies geselecteerd en is het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 29,54%. Bij besluit van 19 juni 2000 is de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 1 december 2000 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, die geen aanleiding ziet om het oordeel van de primaire verzekeringsarts niet te volgen. Hierbij heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat appellant zijn standpunt, dat in het belastbaarheidspatroon onvoldoende rekening gehouden is met zijn beperkingen, niet heeft onderbouwd met nieuwe medische feiten of gegevens. Wel is na arbeidskundige heroverweging een aantal functies afgevallen, maar dit heeft niet geleid tot een wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse aangezien er nog voldoende functies resteerden. Bij besluit van 26 januari 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant dan ook ongegrond verklaard.

In beroep is namens appellant aangevoerd, dat de bezwaarverzekeringsarts de psychische belastbaarheid onvoldoende heeft onderkend en dat de bezwaararbeidsdeskundige ten onrechte functies heeft geselecteerd welke overschrijdingen hebben op het aspect werken onder tijdsdruk.

De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd, dat dit zich alleen beperkt tot het aanvechten van de overschrijdingen op aspect 28A (werken onder tijdsdruk) bij de functie samensteller van metaalproducten onder functiebestandscode (fbc) 8463. Door gemachtigde van appellant wordt gesteld, dat de piekbelasting de feitelijke mogelijkheden van zijn cliŽnt te boven gaat.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen voor appellant vastgestelde beperkingen. Appellant heeft in (hoger) beroep geen medische gegevens overgelegd die tot een ander standpunt aanleiding zouden kunnen geven.

Ten aanzien van de functie samensteller van metaalproducten onder fbc 8463, stelt de Raad evenals de rechtbank vast dat de overschrijding op aspect 28A (werken onder tijdsdruk) slechts ziet op een incidenteel hogere piekbelasting, welke naar het oordeel van de Raad binnen de belastbaarheid van appellant valt. Uit de functieomschrijving blijkt namelijk dat het pieken in de zomer betreft die afhankelijk van de personeelsbezetting voor kunnen komen.
De grief, dat de piekbelasting de feitelijke mogelijkheden van cliŽnt te boven zou gaan, slaagt daarom niet. De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet voor vernietiging in aanmerking komt.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist moet worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2005.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x