Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU1992
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling gedifferentieerde WAO-premie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1218 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen onder dagtekening 31 januari 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer 00/932 WAO.

Op de aan M.M.J. [werkneemster], werkneemster van appellante, bij brief van 18 juni 2003 geboden gelegenheid om als partij aan dit geding deel te nemen, heeft zij niet gereageerd.

Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend, waarop namens appellante is gereageerd bij schrijven van 20 mei 2003 met bijlage.

De Raad heeft bij brief van 11 augustus 2003 aan de gemachtigde van appellante bericht dat ten aanzien van de in die brief genoemde medische rapporten toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van de zijde van appellante is bij brief van 7 mei 2004 met bijlagen op die rapporten commentaar geleverd.

Gedaagde heeft desgevraagd ontbrekende gedingstukken ingezonden. Namens appellante is daarop achtereenvolgens gereageerd bij brieven van 26 augustus 2004, 20 september 2004, met bijlage, en 5 oktober 2004, met bijlage.

Bij brief van 21 oktober 2004 is gedaagde door de Raad verzocht een reactie op die stukken te geven. Mede naar aanleiding van een in dat kader door de Raad desgevraagd aan gedaagde verleende toestemming voor nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek, heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 24 februari 2005 hiertegen grieven naar voren gebracht en het standpunt van appellante nader uiteengezet.

Bij schrijven van 30 maart 2005, met bijlagen, heeft gedaagde voldaan aan het hiervoor vermelde bij brief van 21 oktober 2004 door de Raad gedane verzoek.

Bij schrijven van 18 april 2005 met bijlagen heeft de Raad de gemachtigde van appellante geïnformeerd naar aanleiding van het gestelde in de hiervoor vermelde brief van die gemachtigde van 24 februari 2005. Appellantes gemachtigde heeft daarop gereageerd bij schrijven van 18 mei 2005, met bijlagen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 juli 2005, waar voor appellante is verschenen mr. Van Zijl, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen J. Liesting, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Voor zover voor zijn oordeelsvorming van belang, gaat de Raad in het onderhavige geding uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 28 januari 2000 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat de gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2000 1.37% bedraagt. Bij de vaststelling van dat premiepercentage is rekening gehouden met uitkeringen ingevolge de WAO die gedaagde in het jaar 1998 aan een drietal (ex-)werknemers van appellante heeft betaald.

Bij besluit van 17 november 2000, hierna: bestreden besluit 1, heeft gedaagde het tegen het besluit van 28 januari 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft gedaagde onder meer overwogen dat het op grond van het bepaalde in artikel 87e van de WAO niet mogelijk is het bezwaar tegen de premiebeslissing te baseren op de stelling dat de uitkering van een (ex-)werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De werkgever is immers, aldus gedaagde, vanaf 1 januari 1998 aan te merken als belanghebbende bij de WAO-uitkeringen van zijn (ex-)werknemers, hetgeen inhoudt dat hij vanaf die datum de mogelijkheid heeft gekregen om bezwaar te maken tegen een in 1998 toegekende of gewijzigde uitkering. Appellante heeft van die ook haar ten dienste staande mogelijkheid, zo heeft gedaagde overwogen, echter geen gebruik gemaakt.

Nadat tegen bestreden besluit 1 beroep was ingesteld heeft gedaagde alsnog besloten om de WAO-uitkering van twee van de drie bij het premiebesluit in aanmerking genomen (ex-)werknemers buiten beschouwing te laten bij vaststelling van de gedifferentieerde premie over het jaar 2000, aangezien niet meer viel na te gaan wanneer - vóór dan wel op of na 1 januari 1998 - de betreffende beide uitkeringen waren toegekend.

Bij besluit van 16 juli 2002 heeft gedaagde in verband hiermee de gedifferentieerde premie over het jaar 2000 nader vastgesteld op 0.75%. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat de uitkering van de overblijvende derde werkneemster - te weten mevrouw [werkneemster] - na 1 januari 1998, namelijk bij besluit van 29 maart 2000, aan haar was toegekend.

De rechtbank heeft, naar met name kan worden afgeleid uit door de rechtbank met partijen gevoerde correspondentie, het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 met toepassing van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen het nadere besluit van 16 juli 2002, hierna: bestreden besluit 2, met welk laatste besluit, naar van de zijde van appellante bij gelegenheid van de hiervoor vermelde correspondentie desgevraagd aan de rechtbank was meegedeeld, niet volledig aan dat beroep was tegemoetgekomen.

Ten aanzien van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak overwogen dat ter zitting is gebleken dat gedaagde, voor zover dat besluit niet is gehandhaafd, bereid is over te gaan tot premierestitutie, vergoeding van wettelijke rente en vergoeding van het griffierecht. Gelet hierop heeft appellante, aldus de rechtbank, geen belang meer bij een beoordeling van bestreden besluit 1, zodat het beroep van appellante in zoverre niet-ontvankelijk is.

Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van bestreden besluit 2 heeft de rechtbank, voor zover in het kader van de oordeelsvorming van de Raad van belang, het volgende overwogen.

Uit de door de Raad in zijn uitspraken van 20 juli 2001 gegeven overwegingen - de rechtbank doelt hier onder meer op de uitspraak van de Raad, gepubliceerd in onder meer RSV 2001/232 - volgt, aldus de rechtbank, dat artikel 87e van de WAO buiten toepassing moet worden gelaten in procedures met betrekking tot de gedifferentieerde premie voor zover de werkgever de toekenning van de WAO-uitkering, waaromtrent laatstelijk vóór 1 januari 1998 een besluit is bekend gemaakt, betwist.

De rechtbank kan gedaagde niet volgen in haar standpunt dat in bestreden besluit 2 alleen nog vanaf 1 januari 1998 toegekende uitkeringen in aanmerking zijn genomen. Op grond van de voorliggende gegevens kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen andere conclusie worden getrokken dan dat aan mevrouw [werkneemster] bij besluit van 31 december 1997 een WAO-uitkering is toegekend. De omstandigheid dat gedaagde bij brief van 29 maart 2000 “definitief” WAO-uitkering heeft toegekend met ingang van 2 augustus 2000 (de rechtbank bedoelt hier: 2 augustus 1997), doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Dat besluit kan, voor zover het de toekenning van WAO-uitkering betreft, niet meer dan een herziening van de (reeds) op 31 december 1997 toegekende uitkering betreffen.

Hieruit volgt, aldus de rechtbank, dat gedaagde ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat artikel 87e van de WAO ten aanzien van de aan [werkneemster] verstrekte uitkering onverkort van toepassing is. Gedaagde heeft dan ook ten onrechte niet voldaan aan het verzoek van de rechtbank om de medische gegevens die betrekking hebben op de in 1998 aan [werkneemster] verstrekte uitkering over te leggen.

De rechtbank verbindt hieraan met toepassing van artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekking dat het uitkeringsbesluit van 31 december 1997 op ontoereikende (medische) gegevens berust, zodat bij het vaststellen van de gedifferentieerde premie op ontoereikende gronden rekening is gehouden met de in 1998 aan [werkneemster] verstrekte uitkering. Reeds om die reden komt volgens de rechtbank bestreden besluit 2 voor vernietiging in aanmerking.

Ter voorlichting van partijen heeft de rechtbank daaraan de overweging toegevoegd dat een en ander niet betekent dat gedaagde niet opnieuw de aan [werkneemster] verstrekte uitkering bij de gedifferentieerde premie kan betrekken, indien gedaagde tot de slotsom komt dat op toereikende gronden in 1998 aan [werkneemster] WAO-uitkering is verstrekt. In dat geval zal gedaagde echter gehouden zijn in een eventuele nieuwe beroepsprocedure alle daarop betrekking hebbende relevante gegevens over te leggen.

In het namens appellante ingediende aanvullende beroepschrift is, voor zover hier van belang, in de eerste plaats meegedeeld dat appellante zich kan vinden in de zienswijze van de rechtbank dat de toekenning van WAO-uitkering aan mevrouw [werkneemster] heeft plaatsgevonden bij besluit van 31 december 1997, alsmede met de hiervoor weergegeven en op dat oordeel gebaseerde gevolgtrekking van de rechtbank ten aanzien van de weigering van gedaagde tot overlegging van evenbedoelde medische gegevens.

Niet kan appellante zich evenwel verenigen met de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen bestreden besluit 1. Appellante meent dat, indien en voor zover gedaagde bij bestreden besluit 2 niet aan de in haar beroep tegen bestreden besluit 1 naar voren gebrachte grieven is tegemoet gekomen, zij belang heeft behouden bij haar beroep tegen bestreden besluit 1. Daarenboven is appellante de opvatting toegedaan dat de ontvankelijkheid van een beroep dient te worden beoordeeld naar de situatie bij de indiening van het beroep en dat zij haar belang bij haar beroep niet kan verliezen doordat gedaagde - hangende de procedure - een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift neemt.

Appellante is het voorts in het bijzonder oneens met de overweging van de rechtbank dat het door haar gegeven oordeel met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van bestreden besluit 2 niet betekent dat het gedaagde niet zou vrijstaan in een nieuw besluit, dat eventueel in een nieuwe procedure weer aan de orde zou kunnen worden gesteld, opnieuw de aan [werkneemster] verstrekte uitkering bij de gedifferentieerde premie te betrekken, indien gedaagde tot de slotsom zou komen dat op toereikende gronden in 1998 aan [werkneemster] WAO-uitkering is verstrekt.

Appellante stelt zich op het standpunt dat, nu gedaagde - bewust - in gebreke is gebleven om - daartoe expliciet door de rechtbank uitgenodigd - alsnog de aan de uitkering van [werkneemster] onderliggende medische gegevens in het geding te brengen, en gegeven de door de rechtbank daaraan verbonden gevolgtrekking het gedaagde uit een oogpunt van goede procesorde niet meer vrijstaat de uitkering van [werkneemster] in een toekomstig besluit opnieuw bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie te betrekken.

Appellante acht het uit overwegingen van proceseconomie dienstig als de Raad zich hierover uitspreekt, daar op die wijze wellicht een nieuwe beslissing op bezwaarschrift, gevolgd door een nieuw beroep en wellicht ook weer hoger beroep, kan worden voorkomen. Appellante heeft meegedeeld in dit kader met gedaagde te zijn overeengekomen dat gedaagde met een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift in elk geval wacht tot de Raad uitspraak zal hebben gedaan in het onderhavige hoger beroep.

De Raad ziet aanleiding om in de eerste plaats met betrekking tot de omvang van het onderhavige geding het volgende te overwegen.

De Raad is van oordeel dat de juistheid van de aan [werkneemster] toegekende uitkering in dit geding niet ter beoordeling staat, daar die kwestie buiten de omvang van het geding valt. In het namens appellante in hoger beroep ingediende aanvullende beroepschrift is, voor zover hier van belang, immers uitdrukkelijk aangegeven dat appellante zich kan vinden in de hiervoor weergegeven gevolgtrekking van de rechtbank ten aanzien van het besluit van 31 december 1997. Van belang is voorts dat appellante gedaagde heeft benaderd met het verzoek met het uitreiken van een nieuw besluit, als hiervoor bedoeld, in elk geval te wachten totdat de Raad uitspraak zal hebben gedaan in de onderhavige procedure, welk verzoek door gedaagde ook aldus is gehonoreerd. De Raad voegt daar nog aan toe dat ook uit een nadere brief van de gemachtigde van appellante van 24 februari 2005 alsmede uit het verhandelde ter zitting naar voren komt dat ook appellante zelf expliciet het standpunt inneemt dat de vraag of de uitkering van [werkneemster] al dan niet op toereikende gronden is genomen, buiten de omvang van het onderhavige geding valt. De omstandigheid dat in de loop van de procedure in hoger beroep namens appellante niettemin inhoudelijk is gereageerd op de - inmiddels tijdens de procedure in hoger beroep door gedaagde alsnog in het geding gebrachte - aan de uitkering van [werkneemster] ten grondslag liggende (medische) gegevens, moet uitsluitend, zo is namens appellante aangegeven, gezien worden in het licht van een subsidiaire standpuntbepaling van appellante, namelijk voor het geval de Raad tot de conclusie zou komen dat de rechtmatigheid van die uitkering nog wel zou behoren te worden gerekend tot de omvang van het onderhavige geding.

Uit de brief van 24 februari 2005 blijkt voorts dat appellante uitsluitend grieven heeft gericht tegen de door de rechtbank expliciet open gelaten mogelijkheid dat in een eventueel door gedaagde nieuw te nemen besluit de uitkering van [werkneemster] andermaal bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie wordt betrokken. Volgens deze brief dient het hoger beroep zicht tot deze grond te beperken.

De hiervoor weergegeven, uit de brief van 24 februari 2005 af te leiden nadere, begrenzing van de omvang van het geding staat aldus in de weg aan een beoordeling van de rechtmatigheid van de aan [werkneemster] toegekende uitkering. Tevens staat bedoelde begrenzing in de weg aan een beoordeling van de overige, door appellante in hoger beroep op zich wel gehandhaafde, grieven van meer principiële aard met betrekking tot premiebesluiten als de onderhavige en met betrekking tot - met het uitkeringsbesluit samenhangende - aspecten als tijdigheid van keuringen, vaststelling van passendheid van functies en toetsing van reïntegratieactiviteiten van gedaagde, waaromtrent de rechtbank met het oog op de nieuwe beslissing op bezwaarschrift ten overvloede heeft overwogen. Mede onder verwijzing naar het verhandelde ter terechtzitting, stelt de Raad vast dat ook die grieven moeten worden gezien in het licht van de hiervoor bedoelde subsidiaire standpuntbepaling van appellante.

Voorts overweegt de Raad dat appellante niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Onjuist is de opvatting dat een bij indiening van het beroep bestaand procesbelang in de loop van de procedure niet alsnog zou kunnen komen weg te vallen. In het onderhavige geval is daarvan ook naar het oordeel van de Raad sprake. Niet valt in te zien welk belang appellante, nadat gedaagde tijdens de procedure bij de rechtbank bestreden besluit 2 had genomen, nog heeft behouden bij een beoordeling van de houdbaarheid in rechte van bestreden besluit 1. Zoals de Raad al vele malen heeft overwogen kan een dergelijk belang niet ontleend worden aan de mogelijkheid tot vergoeding van proceskosten of griffierecht, daar voor zodanige vergoedingen niet vereist is dat sprake is van een gegrond beroep en een vernietigd besluit. De rechtbank heeft gedaagde feitelijk ook veroordeeld tot zodanige vergoeding van proceskosten en griffierecht. Behoud van belang kan in het algemeen wel ontleend worden aan een vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb, maar in het onderhavige geval heeft de rechtbank ook daarin geen belang aanwezig geacht, gelet op de expliciet door gedaagde uitgesproken bereidheid tot vergoeding van wettelijke rente. Daar is van de zijde van appellante op zich geen bezwaar tegen gemaakt, en ook de Raad volgt de rechtbank daarin. Geoordeeld moet daarom worden dat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Met betrekking tot de grief van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door haar gegeven oordeel met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van bestreden besluit 2 niet betekent dat het gedaagde niet meer zou vrijstaan in een eventueel nieuw besluit de uitkering van [werkneemster] wederom bij vaststelling van de gedifferentieerde premie te betrekken, overweegt de Raad in de eerste plaats dat appellante op zich terecht de desbetreffende door de rechtbank “ter voorlichting van partijen” gegeven overweging heeft opgevat als een partijen bindende overweging, bij een beoordeling waarvan aan appellante een relevant belang niet kan worden ontzegd.

De Raad ziet die grief evenwel niet slagen. Uit de aangevallen uitspraak komt naar voren dat de rechtbank bestreden besluit 2 heeft vernietigd op de grond dat het ondeugdelijk is gemotiveerd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat bij de berekening van de bij dat besluit vastgestelde gedifferentieerde premie rekening is gehouden met een uitkering waarvan de juistheid van het daarop betrekking hebbende toekenningsbesluit niet kan worden getoetst, nu gedaagde in gebreke is gebleven alle aan die uitkering onderliggende (medische) gegevens over te leggen. Dat toekenningsbesluit moet daarom naar het oordeel van de rechtbank worden geacht op ontoereikende medische gegevens te berusten, en in het kielzog daarvan ontbeert ook het bestreden premiebesluit een toereikende grondslag.

Een dergelijk motiveringsgebrek is in het algemeen herstelbaar en een vernietiging wegens zodanig gebrek laat dan ook doorgaans alleszins de mogelijkheid open een nieuw, wel deugdelijk gemotiveerd, besluit van gelijke inhoud te nemen. Er is geen grond voor het oordeel dat zulks hier anders zou zijn. Evenvermelde weigering door gedaagde om de onderliggende gegevens in het geding te brengen vloeide voort uit de destijds door gedaagde nog gehuldigde opvatting dat het desbetreffende toekenningsbesluit op 29 maart 2000, derhalve na 1 januari 1998, was genomen, zodat het bepaalde in artikel 87e van de WAO er aan in de weg stond de vraag of de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [werkneemster] terecht en/of tot een juist bedrag is vastgesteld in deze procedure te beoordelen. Die opvatting is vervolgens door de rechtbank als onjuist van de hand gewezen, daar de rechtbank van oordeel was dat reeds bij besluit van 29 december 1997 aan [werkneemster] uitkering was toegekend. Gedaagde heeft in de aangevallen uitspraak berust.

Niet valt in te zien dat de enkele omstandigheid dat gedaagde in de onderhavige procedure een standpunt heeft betrokken met betrekking tot de datum van toekenning van uitkering aan [werkneemster] dat in rechte niet houdbaar bleek, een beletsel zou vormen voor gedaagde om nadien, in het voetspoor van de rechtbank alsnog ervan uitgaande dat het uitkeringsbesluit inderdaad vóór 1 januari 1998 is genomen en artikel 87e derhalve niet aan appellante kan worden tegengeworpen, over te gaan tot het nemen van een nieuw op de uitkering van [werkneemster] gebaseerd besluit tot vaststelling van gedifferentieerde premie. Appellante kan niet worden gevolgd in haar opvatting dat gedaagde dusdoende in strijd zou komen met de goede procesorde, of anderszins onrechtmatig zou handelen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van appellante geen doel treft. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten - dat wil zeggen: de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 1 alsmede de overweging van de rechtbank dat haar oordeel met betrekking tot bestreden besluit 2 er niet aan in de weg staat dat gedaagde in een nader besluit opnieuw de aan [werkneemster] verstrekte WAO-uitkering bij de gedifferentieerde premie betrekt - dient te worden bevestigd. De Raad merkt ten slotte nog op dat de rechtbank in het dictum van de aangevallen uitspraak abusievelijk heeft verzuimd om bestreden besluit 2 te vernietigen. De Raad leest de aangevallen uitspraak evenwel aldus dat ook die vernietiging daarin is opgenomen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, in zoverre aangevochten.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x