Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU2078
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schorsing WAO-uitkering. Herziening, intrekking en terugvordering van de WW-uitkering. Anticumulatie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1008 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 januari 2003, nummer 02/86 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 juni 2005, waar appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M. Reitsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellant ontving sedert 25 januari 1989 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), sedert 1 januari 1990 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant verrichtte - volgens zijn eigen verklaring sedert ongeveer 1994 - werkzaamheden voor Arcus Bouw Roosendaal BV (hierna: Arcus), onderbroken door periodes waarin hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) dan wel de Ziektewet (ZW) ontving. De door appellant opgegeven, uit het dienstverband bij Arcus verkregen inkomsten leidden niet tot een korting op zijn WAO-uitkering.

In 1999 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar betalingen van zwart loon door Arcus. Blijkens het rapport werknemersfraude van 10 december 1999 zijn bij dit onderzoek weeklijsten aangetroffen, waarop volgens de onderzoekers met potlood uren zijn aangegeven waarin is gewerkt terwijl de betrokken werknemer een WW-uitkering genoot. Voorts is een rode multomap aangetroffen, waarin uitbetaalde bedragen zijn opgenomen, die volgens de onderzoekers in appellants geval betrekking hebben op ‘bovenloon’, dat wil zeggen loon dat zwart is uitbetaald naast het loon dat op de loonstroken is verantwoord.

Dit rapport heeft gedaagde aanleiding gegeven de volgende besluiten te nemen.
- Bij besluit van 4 oktober 2000 is de uitbetaling van appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 november 2000 geschorst.
- Bij besluit van 27 juli 2001 is in een drietal periodes de WW-uitkering over de uren waarin appellant blijkens potloodaantekening op de aangetroffen weeklijsten werkzaamheden heeft verricht, ingetrokken. Voorts is de uitkering over die uren ten bedrage van f 230,89 van appellant teruggevorderd.
- Bij besluit van 27 juli 2001 is appellant medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de WAO op grond van artikel 44 van die wet met ingang van 6 maart 1995 niet wordt uitbetaald en met ingang van 6 maart 1998 wordt ingetrokken.
- Bij besluit van 27 juli 2001 is van appellant de over de periode van 1 juni 1995 tot en met 31 oktober 2000 ten onrechte betaalde WAO-uitkering ten bedrage van f 92.267,28 teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit van 11 december 2001 zijn deze besluiten na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad overweegt in de eerste plaats het volgende.

In hoger beroep is naar voren gebracht dat de rechtbank het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet in acht heeft genomen en op onzorgvuldige wijze het geschil heeft afgedaan door zonder duidelijke voorafgaande instructie aan partijen en zonder specifieke bewijsopdracht aan (één der) partijen een mondelinge behandeling vast te stellen en vervolgens uitspraak te doen.

Deze grief kan niet slagen. De Raad merkt op dat in een geval als het onderhavige geen twijfel kan bestaan over waar de bewijslast rust. Het is primair aan het uitvoeringsorgaan aan te tonen dat sprake is van inkomsten van de uitkeringsgerechtigde waarmee ten onrechte geen rekening is gehouden en dat de uitkering derhalve ten onrechte is verstrekt. Daarbij staat het de uitkeringsgerechtigde uiteraard vrij feiten of omstandigheden aan te dragen die wijzen op de onjuistheid van het standpunt van het uitvoeringsorgaan.
De rechtbank heeft het onderhavige geschil terecht op deze wijze beoordeeld en ook de Raad zal deze maatstaf aanleggen.

Ten aanzien van de inhoudelijke geschilpunten overweegt de Raad het volgende.



De schorsing van de WAO-uitkering

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde aan het rapport werknemersfraude van 10 december 1999 het gegronde vermoeden kon ontlenen dat het recht op uitkering niet meer bestond dan wel dat recht op een lagere uitkering bestond. Gedaagde is derhalve op grond van artikel 50, derde lid, van de WAO terecht overgegaan tot schorsing van de betaling van de uitkering. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking.



De herziening en terugvordering van de WW-uitkering

Appellant heeft uitkering ingevolge de WW ontvangen over de periodes van 19 december 1994 tot en met 3 maart 1995, 19 februari 1996 tot en met 12 april 1996 en 30 september 1996 tot en met 29 november 1996.

Gedaagde gaat ervan uit dat appellant in deze periodes werkzaamheden heeft verricht.
Hij baseert dit op de potloodaantekeningen die voorkomen op de bij Arcus aangetroffen weeklijsten. Op deze weeklijsten staan namen vermeld met daarachter per dag een aantal uren. De lijsten bevatten zowel met pen als met potlood geschreven namen en uren. Blijkens de verklaring van M.A. Rijke, in 1996 en 1997 bij Arcus werkzaam als boekhouder, betroffen de met pen geschreven namen en uren werknemers die ‘wit’ op de vermelde objecten hadden gewerkt en de met potlood geschreven namen en uren de werknemers die ‘zwart’ op die objecten hadden gewerkt. De betalingen voor laatstgenoemde uren werden volgens zijn verklaring niet in de loonadministratie verwerkt. Voorts hebben verschillende werknemers van Arcus verklaard tijdens WW-periodes zwart voor Arcus te hebben gewerkt. De Raad stelt vast dat de namen van deze werknemers voorkomen op zich onder de gedingstukken bevindende weeklijsten; deze zijn met potlood vermeld met daarachter de door hen gewerkte uren.

Dit alles overziend is voor de Raad voldoende komen vast te staan dat de weeklijsten een weergave zijn van de door de daarop genoemde werknemers gewerkte uren.
Appellants stelling dat de administratie van Arcus onvoldoende betrouwbaar is, kan in dit oordeel geen wijziging brengen. De gegevens die uit het rapport naar voren komen, in combinatie met de verklaringen van de boekhouder Rijke en verschillende werknemers van Arcus roepen juist een beeld op van een waarheidsgetrouwe schaduwboekhouding.

De Raad gaat er dan ook met de rechtbank en gedaagde van uit dat appellant gedurende de op de weeklijsten achter zijn naam vermelde uren werkzaam is geweest. Tijdens deze uren was hij niet werkloos en had hij derhalve geen recht op een WW-uitkering. Gedaagde heeft die uitkering terecht over die uren ingetrokken.

Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige grieven aangevoerd. De Raad ziet geen ambtshalve in aanmerking te nemen gronden waarop dit besluit geen stand kan houden.

De aangevallen uitspraak kan derhalve stand houden voorzover deze op de WW-uitkering betrekking heeft.



De anticumulatie, intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering

Aan de besluiten tot anticumulatie en intrekking van appellants WAO-uitkering liggen de gegevens ten grondslag die zijn aangetroffen in de rode multomap (hierna: de map).
De map heeft betrekking op de periode van week 25 van het jaar 1997 tot en met week 24 van het jaar 1998 (16 juni 1997 tot en met 14 juni 1998). In de map zijn namen vermeld met daarachter bedragen. Bij de namen zijn soms andere gegevens vermeld, zoals een aantal kilometers, een weeknummer of een datum. Met betrekking tot appellant bevat de map gegevens over de weken 45 van 1997 tot en met 23 van 1998 (3 november 1997 tot en met 7 juni 1998). Bij appellants naam is doorgaans een aantal kilometers vermeld, alsmede een getal, waarschijnlijk zijnde een bedrag; daarnaast is vaak ook een weeknummer opgenomen.

Gedaagde stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de met betrekking tot appellant vermelde gegevens betrekking hebben op kilometervergoeding, alsmede - vanaf week 48 van 1997 - op ‘bovenloon’, loon dat naast het in de loonadministratie opgenomen ‘witte’ loon is betaald. Verder is gedaagde van oordeel dat uit de overeenkomst van de gegevens in de map met de gegevens in de weeklijsten en uit door werknemers van Arcus afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat het ‘bovenloon’ niet alleen is uitbetaald in de uit de map blijkende periode, maar ook in de overige in geding zijnde periodes. Dat voor appellant in de weken 25 tot en met 47 van het jaar 1997 geen ‘bovenloon’ in de map is vermeld, is volgens gedaagde toe te schrijven aan het feit dat hij in die periode een WW-uitkering ontving.

De Raad kan gedaagde volgen waar deze stelt dat uit het geheel der gegevens kan worden afgeleid dat appellant van Arcus in de weken 48 van 1997 tot en met 23 van 1998 ‘bovenloon’ ontving. Zoals de Raad hiervoor al heeft overwogen, komt uit de gedingstukken naar voren dat bij Arcus een nauwkeurige schaduwboekhouding werd bijgehouden. Dat aan WAO-gerechtigden die bij Arcus werkzaam waren, ‘bovenloon’ werd betaald, vindt steun in diverse verklaringen, onder andere van eerdergenoemde boekhouder Rijke.

Gedaagde heeft de Raad er evenwel niet van kunnen overtuigen dat appellant ook vóór de door de map bestreken periode ‘bovenloon’ heeft ontvangen. Weliswaar wijzen de beschikbare gegevens erop dat sprake was van doorgaand gedrag en dat in de loop der jaren binnen Arcus niet anders is gehandeld dan in die periode, maar uit de verklaring van de werknemer R.M.R. Bleijenberg moet voorts worden afgeleid dat niet alle WAO-gerechtigden die bij Arcus werkzaam waren, ‘bovenloon’ ontvingen.
Deze werknemer heeft verklaard dat hij aanvankelijk naast zijn WAO-uitkering uitsluitend zijn witte loon ontving en dat hij eerst nadat hij van het ‘bovenloon’ had gehoord en daarnaar had gevraagd, ook ‘bovenloon’ ging ontvangen. Nu gedaagdes standpunt dat appellant ook vóór week 25 van 1997 ‘bovenloon’ ontving uitsluitend berust op de aanname dat toen niet anders werd gehandeld dan in de periode waarop de map betrekking heeft, en daarvoor geen ander bewijs voorhanden is, terwijl uit de verklaring van Bleijenberg kan worden afgeleid dat niet alle werknemers die een WAO-uitkering ontvingen, ook ‘bovenloon’kregen,is voor de Raad onvoldoende komen vast te staan dat appellant eerder dan in week 48 van 1997 meer loon ontving dan waarvan hij tegenover gedaagde melding heeft gemaakt. Er bestond derhalve geen aanleiding eerder toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO dan met ingang van die week, dat wil zeggen met ingang van 24 november 1997.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit geen stand houden voorzover het de anticumulatie en de intrekking van de WAO-uitkering betreft. Nu daarmee de basis aan de terugvordering van WAO-uitkering komt te ontvallen, kan het bestreden besluit ook voorzover het daarop ziet, geen stand houden. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover het bestreden besluit in zoverre in stand is gelaten.



Kosten

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de anticumulatie en de intrekking van appellants WAO-uitkering op grond van artikel 44 van de WAO en op de terugvordering van WAO-uitkering;
Vernietigt het bestreden besluit in zoverre onder gegrondverklaring van het beroep;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 111,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2005.

(get.) M.M. van der Kade

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x