Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU2530
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de geschiktheid voor de geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/75 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 11 april 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 12 april 2000 tot in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ongewijzigde vaststelling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op minder dan 15%.

Bij uitspraak van 6 december 2002, kenmerk 02/424 WAO, heeft de rechtbank Almelo het beroep van appellant tegen het besluit van 11 april 2002 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nader bij brief van 19 januari 2005 (met bijlagen) vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 juli 2005. Appellant is in persoon verschenen, vergezeld van mr. C.C.M. Peper, advocaat te Almelo. Voor gedaagde is verschenen L.A.P ter Laak, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant was voltijds werkzaam als verkoper in een doe-het-zelfwinkel toen hij op 17 januari 1994 op de fiets werd aangereden door een streekbus. Per 30 november 1995 is appellant voor zijn werk definitief uitgevallen met nekklachten. Na onderzoek door de verzekeringsarts J. Klene, die op 9 augustus 1996 een belastbaarheidspatroon zonder urenbeperking heeft vastgesteld, en door de arbeidsdeskundige G. Olthuis-Mellema, die heeft geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor zijn eigen werk en hem een aantal (andere) voltijdse functies heeft voorgehouden, heeft gedaagde bij besluit van
28 november 1996 geweigerd aan appellant per 28 november 1996 een WAO-uitkering toe te kennen onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Op 14 mei 1999 is appellant 20 uur per week gaan werken als verkoper in een telefoonwinkel, doch aan dit werk is een einde gekomen per 1 juli 1999 wegens overname van het bedrijf.

Per 1 juli 1999 heeft appellant een aanvraag om toekenning van een WAO-uitkering ingediend wegens toename van zijn restklachten en beperkingen. Ter ondersteuning van die aanvraag heeft appellant een door zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard op 9 juni 1999 uitgebracht rapport van een op verzoek van zijn huisarts ingesteld onderzoek ingebracht met als conclusies (van Busard) dat er sprake is van een post whiplashsyndroom en dat appellant vooralsnog maximaal 20 uur per week met werk belastbaar is.
De verzekeringsarts G. Dekens heeft in het rapport van Busard en de complexiteit van appellants ziektegeschiedenis aanleiding gezien appellant te doen onderzoeken door de revalidatiearts P.C.Th. van Aanholt, die op 18 november 1999 een contra-expertiserapport heeft uitgebracht met als voornaamste conclusies dat er geen medische indicatie is voor een urenbeperking en dat appellant geschikt is te achten voor de 9 aan hem voorgelegde, door de arbeidsdeskundige J.P.M. Optekamp-van Kaam op 13 juli 1999 geselecteerde voltijdse functies.
Op 22 februari 2000 heeft de evengenoemde arbeidsdeskundige gerapporteerd dat appellant geschikt is te achten voor 5 functies in 5 fb-codes, waarvan de eerste 4 zijn gebruikt om de mediane uurloonwaarde te berekenen. In het rapport is vermeld dat, aangezien het mediane uurloon (f 18,29) hoger is dan het maatmaninkomen (f 15,97), de theoretische mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Vervolgens is bij besluit van 12 april 2000 de mate van appellants arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op minder dan 15%.
De conclusie van de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans in diens rapport van 29 januari 2001 dat er onvoldoende argumenten zijn om te concluderen tot een urenbeperking heeft appellant ertoe gebracht zich te wenden tot zenuwarts Busard die op 20 augustus 2001 heeft gerapporteerd dat appellant inderdaad niet meer dan 20 uur per week zal kunnen werken. Dat rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts Hofmans geen aanleiding gegeven zijn eerdere conclusie te herzien, waarna bij het thans bestreden besluit appellants bezwaar ongegrond is verklaard.

In beroep heeft appellant ingebracht een door de neuroloog T.J. Tacke op 28 april 2002 op verzoek van de rechtbank Almelo in het kader van de daarbij aanhangige civiele letselschadeprocedure uitgebracht rapport en aangedrongen op een nader onderzoek door Mind at Work te Almere, zoals door Busard geadviseerd, ter vaststelling van het aantal uren dat hij per week kan werken.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, van oordeel dat de gang van zaken zorgvuldig is geweest, dat vanwege gedaagde voldoende kwalitatief medisch onderzoek is gedaan, zodat een onderzoek door een derde onafhankelijke deskundige, met name Mind at Work, niet is geïndiceerd en dat appellants argumenten onvoldoende aanleiding geven te veronderstellen dat de bevindingen van de revalidatiearts en de bezwaarverzekeringsarts onjuist zijn.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat, gegeven de gedingstukken en met name de verschillende medische rapporten, de rechtbank ten onrechte tot haar - wel erg summier gemotiveerde - oordeel is gekomen, vooral wat de beperking tot maximaal 20 uren per week en de psychische belastbaarheid betreft. Voorts heeft appellant aangevoerd dat ten onrechte niet is uitgegaan van de functie van verkoper gedurende 20 uren per week als zijn maatgevende arbeid en evenzeer ten onrechte aan hem als iemand die om medische redenen is aangewezen op een urenbeperking (op één na) voltijdse functies zijn voorgehouden waarvan niet kan blijken dat die op de datum in geding (1 juli 1999) óók in deeltijd konden worden vervuld.

In verweer heeft gedaagde naar voren gebracht dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een beperking van appellants psychische belastbaarheid óók op aspect 28H (grote verantwoordelijkheid en/of afbreukrisico) en evenmin voor een beperking tot 20 uren per week, terwijl het werk als verkoper in een telefoonwinkel gedurende 20 uren per week van 14 mei 1999 tot 1 juli 1999 niet als passend is aan te merken, aangezien dat werk door de verzekeringsarts voor appellant te druk en te hectisch was bevonden en appellant dat werk per 1 juli 1999 heeft gestaakt niet omdat hij het werk niet aankon, maar omdat de winkel werd gesloten. Destijds is de maatman gesteld op 40 uren per week en vanwege de door appellant gemelde toename van klachten is zijn belastbaarheid opnieuw onderzocht, aldus gedaagde, die van mening is dat in de hervatting door appellant in een hem niet passende functie geen aanleiding kan bestaan om thans uit te gaan van een maatman van 20 uren per week.

De Raad overweegt als volgt.

Dit geding wordt vooral beheerst door de vraag of appellant per 1 juli 1999 in staat was te achten tot het voltijds in plaats van gedurende 20 uren per week verrichten van werkzaamheden.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken onvoldoende houvast bieden voor een ontkennend antwoord op die vraag. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat het door Busard op 9 juni 1999 ingenomen standpunt dat appellant vooralsnog maximaal 20 uren per week belastbaar is niet naar behoren met objectieve medische gegevens is onderbouwd, maar is ingegeven door de blijkens zijn rapport serieus te nemen verklaring van appellant die erop neerkomt dat hij (appellant) proefondervindelijk heeft kunnen vaststellen dat met 20 uren per week werken de top van zijn kunnen is bereikt. Busard heeft in zijn (nadere) verklaring van 20 augustus 2001 ook aangegeven dat zijn onderzoek op 3 juni 1999 meer specifiek was gericht op de whiplashproblematiek en niet ten doel had appellants belastbaarheid ten aanzien van werken uitvoerig en in detail in kaart te brengen. Busard heeft in dit verband voorts te kennen gegeven dat hij het eens is met de verzekeringsarts dat in zijn rapport die urenbeperking in ieder geval niet nadrukkelijk beargumenteerd wordt onderbouwd. Hierbij doelt Busard op de bezwaarverzekeringsarts Hofmans die op 29 januari 2001 heeft gerapporteerd dat hij (Busard) zijn oordeel volledig, zonder objectiverend testonderzoek, heeft gebaseerd op de door appellant ervaren klachten en beperkingen, terwijl daarentegen uit de expertise van de revalidatiearts Van Aanholt blijkt dat appellant een goed gevuld dagverhaal heeft. Weliswaar zijn, zoals Van Aanholt heeft gerapporteerd, er met de nekpijnklachten verband houdende fysieke en wat hoog tempo en stress betreft psychische beperkingen, maar op het gebied van het houdings- en bewegingsapparaat is er geen indicatie voor een urenbeperking.
Dit brengt met zich dat er geen aanleiding bestaat om als maatgevende arbeid aan te merken de functie van verkoper in een telefoonwinkel die appellant ongeveer 6 weken gedurende 20 uren per week heeft vervuld.
Weliswaar heeft, zoals appellant heeft benadrukt, Van Aanholt vermeld dat de belasting in een nieuwe functie langzaamaan zal moeten worden opgebouwd, maar de wijze waarop appellant in de praktijk in een eenmaal door hem te vervullen specifieke functie moet groeien naar volledige belasting staat los van de selectie van functies in het kader van de theoretische schatting.

Wat appellants psychische klachten betreft deelt de Raad het standpunt van gedaagde dat met de door de verzekeringsarts Dekens in het belastbaarheidspatroon van 13 juli 1999 aangebrachte beperking op aspect 28A (werken onder tijdsdruk) onder aantekening ”rustig werk, geen complexe factoren” in voldoende mate de uit objectieve medische gegevens te destilleren situatie weergeeft. Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht waaruit is af te leiden dat hij wat zijn psychische situatie betreft op meer aspecten dan 28A is beperkt. Hierbij merkt de Raad nog op dat alle op 13 juli 1999 uit het functie-informatiesysteem (fis) opgeroepen functies wat psychische beperkingen betreft een of meer asterisken op andere aspecten dan 28A te zien geven. Dat is een gevolg van een eigenaardigheid van het fis die her en der aanleiding tot verwarring geeft. Uitgegaan dient evenwel te worden van het op 13 juli 1999 opgestelde, nadien niet aangescherpte belastbaarheidspatroon dat wat aspect 28 betreft uitsluitend een beperking op A bevat.

Gelet op de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen en met name het rapport van Van Aanholt ziet de Raad in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht onvoldoende aanleiding een nader medisch onderzoek door een medisch deskundige of door Mind at Work te Almere geïndiceerd te achten.

Ter zitting heeft gedaagde te kennen gegeven dat de theoretische schatting uiteindelijk is gebaseerd op 4 functies, te weten artsenbezoeker met fb-code 4611, secretarissen en stenotypisten met fb-code 3213, medische registratieassistent(e) met fb-code 3221 en receptionist met fb-code 3941.
Daargelaten kan worden of deze functies eerder door de arbeidsdeskundige Optekamp-van Kaam aan appellant zijn voorgehouden, daar hier sprake is van een situatie die op één lijn is te stellen met een einde wachttijdsituatie waarin naar vaste jurisprudentie van de Raad het later bijduiden van functies is toegestaan. Deze 4 functies omvatten tezamen minstens 30 arbeidsplaatsen en leiden op basis van een reductiefactor van 0,90 tot een mediaan inkomen dat hoger is dan appellants maatmaninkomen, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Toegegeven moet worden dat de aangevallen uitspraak wel erg summier is gemotiveerd, maar daarin op zichzelf ziet de Raad onvoldoende aanleiding het hoger beroep gegrond te verklaren.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Aangezien geen termen aanwezig zijn om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling uit te spreken, beslist de Raad als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. N.J. Haverkamp als leden in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2005.

(get.) J.Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x