Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU2547
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Toepassing van de achttienmaandenjurisprudentie, die inhoudt dat de datum waarop de functie is geactualiseerd niet meer dan achttien maanden vr de datum in geding mag liggen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5074 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 3 september 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer WAO 02/2733 LAME.

Namens gedaagde heeft mr. A. den Arend-de Winter, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

In aanvulling op zijn aanvullend beroepschrift heeft appellant bij brief van 22 december 2003 een verzekerinsgsgeneeskundige rapportage ingezonden.

Appellant heeft vervolgens, bij brief van 31 augustus 2004 met als bijlage een arbeidskundige rapportage, op het namens gedaagde ingediende verweerschrift gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 juli 2005, waar namens appellant met voorafgaand bericht niemand is verschenen, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.M. Lenting, kantoorgenoot van mr. Den Arend-de Winter, voornoemd.




II. MOTIVERING


Voor zover voor zijn oordeelsvorming van belang, gaat de Raad in de onderhavige zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde ontvangt vanaf 3 februari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering laatstelijk, sedert 19 juni 2000, werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Naar aanleiding van een melding door gedaagde van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 21 juni 2001 heeft appellant een heronderzoek ingesteld. De uitkomst hiervan was dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde onveranderd 25 tot 35% bedroeg.
Bij besluit van 12 maart 2002 heeft appellant vervolgens geweigerd om de uitkering van gedaagde te verhogen.

In bezwaar komen enkele van de bij de schatting gebruikte functies te vervallen.
De bezwaararbeidsdeskundige van appellant heeft de schatting uiteindelijk gebaseerd op de functiebestandscode (fb-code) 3396 (bankbediende), bevattende de functie van junior medewerker debiteuren met 8 arbeidsplaatsen, de fb-code 8538 (printplatenmonteur), bevattende een tweetal functies van monteur productie communicatieapparatuur met respectievelijk 14 en 3 arbeidsplaatsen alsmede de fb-code 8539 (samensteller elektrotechnische en/of elektronische producten), bevatten de functie van monteur transformatoren met 8 arbeidsplaatsen. Herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde aan de hand van de aan evenvermelde functies te ontlenen resterende verdiencapaciteit komt uit op 35,8%, overeenkomende met indeling in de klasse 35 tot 45%.

Bij besluit van 6 september 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant, gegeven vorenomschreven uitkomst van de heroverweging in bezwaar, het bezwaar van gedaagde gegrond verklaard en gedaagdes WAO-uitkering met ingang van 19 juli 2001 verhoogd naar 35 tot 45%.

Namens gedaagde, die de opvatting is toegedaan dat hij op en na 19 juli 2001 volledig arbeidsongeschikt is, wordt beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat er geen redenen zijn om de juistheid van het medische oordeel dat ten grondslag ligt aan dat besluit in twijfel te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank is met de diverse klachten en beperkingen van gedaagde in voldoende mate rekening gehouden. De arbeidskundige grondslag van de schatting kan evenwel geen genade vinden in de ogen van de rechtbank. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat uit de gegevens van het Functie Informatie Systeem (FIS) van 22 januari 2002 en de historische FIS-gegevens van 6 mei 2002 naar voren komt dat de functie van printplatenmonteur niet voldoet aan de zogenaamde 18-maanden jurisprudentie, die inhoudt dat de datum waarop de functie is geactualiseerd niet meer dan 18 maanden voor de datum in geding mag liggen, terwijl evenmin wordt voldaan aan de eis dat de actualiseringsdatum niet na de in geding zijnde datum mag liggen. Als de beide functies van printplatenmonteur vervallen, resteren minder dan 30 arbeidsplaatsen, ook al zou de reservefunctie van kleermaker in de plaats van die functies komen. Overigens acht de rechtbank onzeker of genoemde reservefunctie in medisch opzicht wel geschikt is te achten voor gedaagde.

Appellant is in hoger beroep opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de desbetreffende beide functies van printplatenmonteur, zoals deze op de zogeheten historische uitdraai uit het FIS d.d. 6 mei 2002 voorkomen met een actualiseringsdatum van 3 november 1999, wegens strijd met de bedoelde 18-maanden jurisprudentie niet kunnen meedoen als onderdeel van de schattingsgrondslag. Die jurisprudentie dient naar de zienswijze van appellant niet al te klakkeloos te worden toegepast. Doorslaggevend is in de visie van appellant of voldoende aannemelijk is te achten dat een in aanmerking genomen functie ten tijde in het geding van belang - met alle specifieke daaraan verbonden eigenschappen - in voldoende mate op de arbeidsmarkt voorkwam. In het onderhavige geval is naar het oordeel van appellant boven twijfel verheven dat zulks het geval is ten aanzien van meergenoemde functies van printplatenmonteur. Er is enige achterstand opgetreden bij het actualiseren van het FIS, maar nu de naderhand in 2001 geactualiseerde versies van die functies, die een actualiseringsdatum kennen die na de datum in geding is gelegen, afkomstig zijn uit hetzelfde bedrijf en vrijwel identiek zijn aan de door de rechtbank gewraakte functies uit 1999, acht appellant genoegzaam aangetoond dat de functies ook op de datum in geding op de arbeidsmarkt voorkwamen.

Op grond van het volgende ziet de Raad het hoger beroep van appellant doel treffen. In zijn uitspraak van 3 februari 2004, LJN AO5188, gepubliceerd in RSV 2004, 320 en USZ 2004, 105, heeft de Raad overwogen dat een afwijking van de in de praktijk toegepaste werkwijze dat na (ongeveer) anderhalf jaar functies in het FIS worden geactualiseerd - welke werkwijze, zo heeft de Raad daaraan toegevoegd, overigens geen bedenkingen ontmoet - nog niet mee brengt dat een schatting daardoor voldoende realiteitswaarde ontbeert. Hiervan kan naar het oordeel van de Raad onder omstandigheden sprake zijn bij een aanzienlijke afwijking van die termijn van anderhalf jaar. De Raad is van oordeel dat de overschrijding van de termijn van anderhalf jaar in het onderhavige geval - als hiervoor reeds vermeld is de actualiseringsdatum 3 november 1999 en de datum in geding 19 juli 2001 - niet als aanzienlijk in evenbedoelde zin kan worden aangemerkt. Reeds om die reden kan de Raad zich niet stellen achter de opvatting van de rechtbank dat de beide tot de fb-code 8538 (printplatenmonteur) behorende functies van monteur productie communicatieapparatuur, niet kunnen dienen als een valide onderdeel van de grondslag van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Daarvan uitgaande kan worden geconcludeerd dat de onderhavige schatting, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel voldoet aan de eis dat deze berust op ten minste drie functies die tezamen ten minste dertig arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.

Gegeven het feit dat de gemachtigde van gedaagde ter terechtzitting desgevraagd expliciet heeft aangegeven dat de medische aspecten van de onderhavige schatting in hoger beroep niet langer in geding zijn - waartoe de Raad in dit verband rekent de ten aanzien van gedaagde van toepassing geachte medische beperkingen alsmede de geschiktheid van de gebruikte functies in medisch opzicht - en voorts in aanmerking genomen dat in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de Raad ook overigens geen aanknopingspunten heeft om het bestreden besluit wat betreft de arbeidskundige grondslag daarvan in rechte niet juist te achten, volgt uit het hiervoor overwogene dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd, komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x