Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU2734
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Samenhang tussen de medische beoordeling van de belastbaarheid bij de aanvang van de verzekering en bij het einde van de wachttijd. Omvang en zorgvuldigheid van het medisch onderzoek.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2788 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. T. Scholtus, advocaat te 's-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 16 april 2003, tussen partijen gegeven uitspraak (Awb 02/1363 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Scholtus, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen drs. J.C. van Beek, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is op 13 september 1999 via een uitzendbureau gaan werken als zeefdrukker bij Metaalindustrie J. van Nieuwenhuizen B.V. (de werkgever). Per 1 januari 2000 heeft de werkgever hem een tijdelijk contract voor de duur van een half jaar aangeboden. Per 24 januari 2000 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met depressieve klachten. Aan zijn dienstverband is per 1 juli 2000 een einde gekomen.

Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft op 11 december 2000 een gesprek plaats gevonden tussen appellant en de verzekeringsarts A.C. van Boxmeer.
Van Boxmeer heeft in zijn rapportages van 11 december 2000 en 3 januari 2001 aangegeven dat er bij het bereiken van de wachttijd geen ruimte is voor enige werkhervatting en dat gezien de reeds bestaande situatie bij aanvang van de verzekering kan worden geconcludeerd dat appellant bij aanvang van zijn dienstverband op 13 september 1999 reeds arbeidsongeschikt was. Van Boxmeer is tot deze conclusie gekomen op grond van de volgende overwegingen.
"Belanghebbende is een 30 jarige man die uitgevallen is in zijn werk als zeefdrukker door een psychische ontsporing. De trigger was het vertrek van zijn vriendin na een relatie van 10 jaar. Onderliggend probleem is een jarenlang misbruik van alcohol en drugs. Middels begeleiding bij Parnassia en een detox-programma lijkt het zeer langzaam aan beter te gaan met belanghebbende. Het gevoel weer grip op zijn situatie te hebben en niet naar de fles of iets dergelijks te moeten grijpen neemt toe. Ook het overzicht komt terug. Echter belanghebbende ondervindt nog dermate veel beperkingen dat er geen sprake kan zijn duurzaam benutbare mogelijkheden. De huidige “arbeidsprestatie” in de vorm van dagelijkse activiteiten dient als maximaal te worden beschouwd."

Overeenkomstig het advies van Van Boxmeer heeft gedaagde bij besluit van 22 januari 2001 geweigerd appellant na het bereiken van de wachttijd op 21 januari 2001 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. Primair op de afwijzingsgrond dat appellant bij aanvang van zijn verzekering op 13 september 1999 reeds volledig arbeidsongeschikt was en subsidiair op de grond dat gezien zijn gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering kennelijk te verwachten viel dat hij binnen een half jaar arbeidsongeschikt zou worden.

In bezwaar heeft appellant gemotiveerd het standpunt bestreden dat hij reeds bij aanvang van de verzekering arbeidsongeschikt was, dan wel dat kennelijk viel te verwachten dat hij binnen een half jaar na aanvang van zijn verzekering arbeidsongeschikt zou worden. Appellant heeft aangegeven dat hij in de periode van 1988 tot 1992 harddrugs heeft gebruikt, maar met succes een 18 maanden durend programma van het CAD heeft gevolgd. In 1994 is hij gestart met een MBO-opleiding grafische vormgeving en deze opleiding heeft hij in 1998 afgerond met een diploma. Tijdens zijn opleiding heeft hij stage gelopen en in dat kader gedurende het gehele derde jaar fulltime gewerkt bij diverse bedrijven. In 1997 en 1998 heeft hij als klusjesman voor 20 uur per week gewerkt bij een particulier en na afronding van zijn opleiding heeft hij een jaar de tijd genomen om zich te bezinnen, waarbij hij ondertussen als kunstenaar in zijn atelier in Rotterdam heeft gewerkt.

In de bezwaarfase is appellant tijdens de hoorzitting gezien door de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn. Van Duijn, die blijkens zijn rapport van 13 augustus 2001 beschikte over informatie van de behandelend psycholoog/psychotherapeut K.H. Goudsmit van 16 maart 2001, is tot de conclusie gekomen dat de medische onderbouwing van het primaire besluit geheel dient te worden herzien. Volgens Van Duijn zijn er bij aanvang van de verzekering geen evidente beperkingen te duiden, maar bij het einde van de wachttijd wel. Zijn bevindingen en de bevindingen van de behandelend sector geven volgens Van Duijn geen aanleiding om te stellen dat de toestand van appellant bij het einde van de wachttijd voldeed aan de criteria van de standaard “Geen duurzaam benutbare mogelijkheden”. Van Duijn heeft vervolgens een belastbaarheidsprofiel opgesteld en daarbij tevens aangegeven dat voor appellant een duurbeperking van maximaal vier uur per dag geldt. Nader verkregen informatie van J.J.H.M. Luijkx van Parnassia heeft Van Duijn geen aanleiding gegeven zijn ingenomen standpunt te wijzigen.

De bezwaararbeidsdeskundige J. Noordermeer heeft blijkens zijn rapport van 6 mei 2002 het Functie Informatie Systeem geraadpleegd, waaruit naar voren is gekomen dat voldoende functies zijn te selecteren en dat, rekening houdend met het voor appellant geldende maatmaninkomen, de mediane loonwaarde, de reductiefactor en de urenbeperking, het verlies aan verdiencapaciteit 59,6% bedraagt.

Bij besluit van 10 mei 2002 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant gegrond verklaard en appellant met ingang van 22 januari 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat gedaagde in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet heeft beslist op de grondslag van het bezwaar, omdat appellant alleen bezwaar heeft gemaakt tegen het aannemen van arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering, maar niet tegen het standpunt dat bij het einde van de wachttijd sprake is van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”. Verder stelt appellant dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met artikel 7:9 van de Awb, door hem niet de gelegenheid te geven te reageren op informatie van de behandelend sector, verkregen na de hoorzitting en voor het nemen van het bestreden besluit. Volgens appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts slechts enkele vragen gesteld op de hoorzitting en kan dat niet gelden als een medisch onderzoek dat aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Appellant stelt zich tevens op het standpunt dat de markeringen bij de functies telefoniste en bibliotheekassistent op de onderdelen 28A en 28E niet afdoende zijn gemotiveerd. Ten slotte heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in de tegenstrijdige medische oordelen van de primaire en de bezwaarverzekeringsarts op zijn minst aanleiding had moeten zien, appellant te laten onderzoeken door een onafhankelijk deskundige.

Met gedaagde is de Raad van oordeel dat geen van de door appellant geformuleerde grieven kan slagen.

Het bestreden besluit bestaat uit diverse onderdelen en berust op in ieder geval een medische en een arbeidskundige grondslag. Anders dan appellant meent kan de medische grondslag van het bestreden besluit niet worden gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de medische situatie bij aanvang van de verzekering en in een deel dat betrekking heeft op de medische situatie bij het einde van de wachttijd. Appellant heeft een WAO-uitkering aangevraagd en bij de medische beoordeling van deze aanvraag dienen beide aspecten in samenhang te worden bezien. Uit de rapportages van beide verzekeringsartsen kan ook duidelijk worden opgemaakt dat de inschatting van de (on)mogelijkheden bij het einde van de wachttijd ten nauwste ook samenhangt met de (on)mogelijkheden bij aanvang van de verzekering. De bezwaarverzekeringsarts was geenszins gehouden om het oordeel van de primaire verzekeringsarts over de medische situatie bij het einde van de wachttijd over te nemen, nu hij ook diens oordeel over de medische situatie bij aanvang van de verzekering niet overnam. Uit de betreffende rapportages kan genoegzaam worden opgemaakt dat de primaire verzekeringsarts vrijwel volledig is afgegaan op de door appellant zelf gegeven informatie dat er sprake is geweest van een zeer langdurige periode van drugs- en alcoholgebruik. Zo heeft appellant tijdens het onderzoek op 11 december 2000 de primaire verzekeringsarts meegedeeld dat hij de afgelopen 15 jaar eigenlijk geen dag clean is geweest. In het bezwaarschrift heeft appellant een geheel ander beeld van zichzelf geschetst, en zich daarbij nadrukkelijk beroepen op de door hem gevolgde opleiding, inclusief stages.

De Raad overweegt verder dat in zijn algemeenheid een bestuursorgaan niet met terugwerkende kracht ten nadele van een betrokkene op een eerder genomen besluit mag terug komen. Van een dergelijke situatie is in de onderhavige zaak geen sprake. Het primaire besluit behelsde een weigering om WAO-uitkering toe te kennen, terwijl bij het bestreden besluit gedaagde ten voordele van appellant op het primaire besluit is teruggekomen en wel in die zin dat appellant alsnog een WAO-uitkering is toegekend.

Van strijd met artikel 7:9 Awb is evenmin sprake. Van inlichtingen van de behandelend sector mag worden aangenomen dat deze feiten en omstandigheden bevatten die appellant bekend zijn. Als zodanig behoeven dergelijke inlichtingen, verkregen na de hoorzitting en voor het nemen van de beslissing op bezwaar, niet te worden meegedeeld. Appellant heeft overigens ook niet gesteld dat de door de behandelend sector gegeven informatie hem niet bekend was.

Met betrekking tot de grief dat de bezwaarverzekeringsarts geen medisch onderzoek zou hebben verricht, overweegt de Raad dat een medisch onderzoek uit diverse onderdelen kan bestaan. Waar het gaat om de beoordeling van psychische klachten, zowel bij het einde van de wachttijd als bij aanvang van de verzekering, lijkt een lichamelijk onderzoek niet aangewezen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit geval tijdens de hoorzitting een gesprek met appellant gevoerd, waaruit hij voor hem relevante informatie heeft kunnen halen, alsmede het dossier bestudeerd, waaronder de informatie van de behandelend sector. De stelling dat geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden onderschrijft de Raad dan ook niet.

Ten aanzien van de markeringen op de punten 28A en 28E in de functies telefoniste en bibliotheekassistent overweegt de Raad dat de door Van Duijn gegeven motivering in zijn rapport van 13 september 2002 voldoende is om tot de conclusie te kunnen komen dat deze markeringen niet leiden tot een onaanvaardbare overschrijding van de belasting in die functies.

Tenslotte overweegt de Raad dat het gegeven dat de standpunten van de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts aanzienlijk uiteen lopen, niet zonder meer met zich meebrengt dat de rechtbank of de Raad gehouden zou zijn tot het inschakelen van een onafhankelijk deskundige. De bezwaarverzekeringsarts heeft het feit dat hij tot een andere medische beoordeling dan de primaire verzekeringsarts is gekomen op een afdoende wijze gemotiveerd. De Raad merkt daarbij op dat de informatie die is verstrekt door de behandelend sector geenszins aanleiding geeft om aan te nemen dat appellant op de datum in geding meer is beperkt dan de bezwaarverzekeringsarts heeft aangenomen. Appellant heeft geen andere objectieve medische gegevens in geding gebracht die voor twijfel kunnen zorgen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

Nu geen van de grieven slaagt en de Raad geen kenbare gebreken in de arbeidskundige beoordeling heeft aangetroffen, moet worden geoordeeld dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x