Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU2736
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht geweigerd wettelijke rente te betalen over de verrekende nabetaling wegens verhoging van het dagloon?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5087 WAO en 03/5129 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant] te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank Arnhem op 25 augustus 2003 onder kenmerken 03/257 WAO en 03/497 WAO gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 juni 2005, waar appellant en zijn gemachtigde - met voorafgaand bericht - en gedaagde niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Met een besluit van 1 oktober 1999 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 7 september 1998 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. Het WAO-dagloon, dat voorlopig was vastgesteld op f 70,09 ( 31,81), is met een besluit van 2 februari 2001 definitief vastgesteld op dit bedrag. Appellants bezwaar tegen de hoogte van het dagloon heeft gedaagde bij besluit van 17 april 2002 gegrond verklaard. Het WAO-dagloon is met ingang van 7 september 1998 verhoogd tot f 128,06 ( 58,11). Namens appellant is gedaagde op 23 mei 2002 verzocht over te gaan tot nabetaling van WAO-uitkering vanaf 7 september 1998 vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

In verband met door appellant gedurende de periode van 7 september 1998 tot 15 februari 2001 verrichte werkzaamheden, waarvan de passendheid niet vaststond, heeft gedaagde toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 44 van de WAO en met een besluit van 15 juli 2002 bepaald dat de uitkering wordt betaald als was appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25 %. Met een besluit van 23 juli 2002 heeft gedaagde van appellant teruggevorderd een bedrag van 3.467,61 bruto aan te veel ontvangen uitkering over de periode van 7 september 1998 tot 15 februari 2001. Het namens appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2002 is bij een besluit van 23 januari 2003 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Op appellants verzoek tot betaling van de wettelijke rente bij wijze van schadevergoeding heeft gedaagde met een besluit van 2 september 2002 afwijzend beslist, daarbij stellend dat door appellant geen schade is geleden omdat het bedrag van de nabetaling die voortvloeit uit de verhoging van het WAO-dagloon afgezet tegen het bedrag van de terugvordering ten gevolge van de toepassing van artikel 44 van de WAO een negatief bedrag oplevert. Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit met een besluit van 23 januari 2003 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

Appellant heeft in beroep zijn in bezwaar naar voren gebrachte stellingen herhaald en betoogd dat de verhoging van het WAO-dagloon leidt tot een nabetaling waarover gedaagde aan appellant wettelijke rente is verschuldigd, dat voor de berekening van de wettelijke rente verrekening van het na te betalen bedrag aan uitkering met het bedrag dat wordt teruggevorderd niet is toegestaan en dat de terugvordering derhalve door gedaagde op een te hoog bedrag is gesteld. Met de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant ongegrond verklaard, daarbij overwegend dat bij een nabetaling en een terugvordering op grond van dezelfde wet wettelijke rente door gedaagde uitsluitend verschuldigd is over het bedrag waarover appellant niet tijdig heeft kunnen beschikken. Waar het verschil tussen de te lage uitkering en de te hoge uitkering leidt tot een negatief bedrag heeft appellant geen aanspraak op wettelijke rente en wordt het door gedaagde berekende terugvorderingsbedrag juist geacht.
In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 februari 2003, gepubliceerd in RSV 2003/140, herhaald dat de vordering van appellant op gedaagde ter zake van te weinig ontvangen uitkering moet worden vermeerderd met de wettelijke rente alvorens wordt overgegaan tot verrekening met de vordering van gedaagde op appellant ter zake van te veel ontvangen uitkering.

In geding is slechts de vraag of gedaagde terecht heeft geweigerd aan appellant wettelijke rente te vergoeden.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.

Daartoe overweegt de Raad het volgende. Met een arrest van 22 september 1995, gepubliceerd in JB 1995/275 heeft de Hoge Raad in een zaak waarin betaling van wettelijke rente werd verzocht niet alleen over het aan de uitkeringsgerechtigde na te betalen bedrag maar eveneens over het aan een ander uitvoeringsorgaan afgedragen bedrag geoordeeld dat de gedachte dat de sociale zekerheidswetten een samenhangend stelsel vormen rechtvaardigt dat wanneer aan iemand door een bepaald uitvoeringsorgaan gedurende een bepaalde periode uit hoofde van een sociale zekerheidswet een uitkering wordt verstrekt terwijl later komt vast te staan dat hem over die periode door een andere instantie uit hoofde van een andere sociale zekerheidswet een hogere uitkering had moeten zijn uitgekeerd, betrokkene jegens laatstbedoelde instantie slechts aanspraak kan maken op wettelijke rente over het bedrag aan sociale uitkeringen waarover hij ten onrechte niet tijdig heeft kunnen beschikken, te weten het verschil tussen de uitkering welke hij heeft genoten, en welke hij had behoren te genieten. In zijn jurisprudentie heeft de Raad bij dit arrest aangesloten en vastgesteld dat bij de berekening van wettelijke rente rekening dient te worden gehouden met hetgeen het uitvoeringsorgaan bruto heeft moeten verrekenen of aan derden bruto heeft moeten betalen (vide de uitspraak van 8 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/296).

Dat betekent dat gedaagde naar het oordeel van de Raad op goede gronden vergoeding van wettelijke rente heeft geweigerd nu per saldo een negatief bedrag resteerde.

De Raad ziet in de uitspraak gepubliceerd in RSV 2003/140 geen onderbouwing van het standpunt van appellant. In die zaak kwam de Raad tot het oordeel dat het uitvoeringsorgaan op grond van de toen geldende wettelijke regeling in de gegeven omstandigheden de bevoegdheid ontbrak om de verstrekte uitkering ingevolge de Werkloosheidswet terug te vorderen, hetgeen meebracht dat voor verrekening van de alsnog toegekende (verhoging van de) arbeidsongeschiktheidsuitkeringen geen grond was en de wettelijke rente derhalve berekend moest worden over het na te betalen bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zonder verrekening met de werkloosheidsuitkering. In het geval van appellant staat evenwel vast dat hetgeen gedaagde hem over de periode van 7 september 1998 tot 15 februari 2001 teveel aan uitkering heeft betaald van hem kan worden teruggevorderd. Dat brengt mee dat verrekening, neerkomend op een beperking van de terugvordering, is toegestaan en met gedaagde geoordeeld moet worden dat appellant geen schade heeft geleden ten gevolge van een vertraagde betaling van de hem toekomende uitkering, waarvoor de wettelijke rente de vergoeding vormt, omdat hij rekening houdend met de verhoging van de uitkering na herziening van het dagloon en de verlaging van de uitkering na toepassing van artikel 44 van de WAO over dezelfde periode nog steeds een bedrag aan uitkering teveel had ontvangen.

Gezien het vorenstaande treffen de hoger beroepen geen doel en dienen de aangevallen uitspraken bevestigd te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x