Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU3059
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4447 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond onder dagtekening 28 juli 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer 03/387 WAO.

De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij aanvullend beroepschrift met bijlagen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 juli 2005, waar appellant met voorafgaand bericht niet is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 14 maart 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 21 november 2002, waarbij de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 20 januari 2003 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Blijkens de aan genoemde besluiten ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens berust evenvermelde herziening van appellants uitkering op een beoordeling volgens welke voor appellant diverse beperkingen vallen aan te geven, voortvloeiend uit - in het bijzonder - verschillende lichamelijke kwalen met betrekking tot zijn longen, hart en rug. Als gevolg van deze kwalen is hij niet langer geschikt voor de maatgevende werkzaamheden als productiemedewerker. Zij vormen echter geen beletsel tot het in een maximumomvang van gemiddeld circa 30 uur per week verrichten van andere werkzaamheden, als verbonden aan diverse door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Appellant is de mening toegedaan dat het geheel van zijn lichamelijke en psychische klachten zodanige beperkingen met zich brengt, dat hij niet meer beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.

De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om de bevindingen van gedaagdes verzekeringsartsen, die berusten op eigen onderzoek en van de behandelend longarts verkregen informatie, in twijfel te trekken. Aan de rechtbank is niet kunnen blijken dat appellant op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen zijn beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. Aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel heeft de rechtbank ook niet aangetroffen in de van de zijde van appellant overgelegde informatie uit de behandelend sector. De rechtbank is aldus tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een juiste, althans toereikende, medische grondslag berust, in verband waarmee de rechtbank ook geen aanleiding heeft gevonden voor het benoemen van een onafhankelijk medisch deskundige, als namens appellant verzocht. Nu de rechtbank voorts ook heeft kunnen instemmen met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies en met de, op basis van de daaraan te ontlenen resterende verdiencapaciteit berekende, mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn evenvermelde medische grieven in essentie doen herhalen. Hij blijft de opvatting toegedaan dat zijn cardiale klachten, longklachten en psychische klachten hem ernstig invalideren - in elk geval ernstiger dan waarvan gedaagde is uitgegaan - waarbij zich bij hem tevens in toenemende mate een verlies aan psychische spankracht ontwikkelt.

De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht die zouden kunnen dienen ter nadere onderbouwing van die eigen opvatting, maar heeft volstaan met het nogmaals inzenden van de reeds eerder in de procedure overgelegde gegevens van de behandelend sector. Mede in het licht hiervan heeft de Raad geen aanknopingspunten om ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit tot andere beschouwingen en/of een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank, als hiervoor in samenvatting weergegeven. De Raad onderkent dat appellant te kampen heeft met verschillende, vooral lichamelijke problemen, maar moet met de rechtbank vaststellen dat niet is gebleken van een toereikend objectief-medisch substraat voor het oordeel dat de daaruit voortvloeiende beperkingen in onvoldoende mate door gedaagde zijn onderkend. In het vorenoverwogene ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding heeft om het in hoger beroep herhaalde verzoek tot inschakeling van een onafhankelijk deskundige te honoreren.

Niettemin kan het bestreden besluit, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in rechte geen stand houden. De Raad overweegt hiertoe als volgt. De gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat, mede gelet op een dienaangaande door zijn bezwaararbeidsdeskundige ingenomen nader standpunt - minst genomen - vraagtekens moeten worden geplaatst bij de geschiktheid in medisch opzicht van de mede aan de schatting ten grondslag gelegde functie van inpakker, SBC-code 111190, zulks in verband met de volgens de beschikbare CBBS-gegevens aan die functie verbonden belasting op het onderdeel kortcyclisch buigen, welke belasting volgens de bezwaararbeidsdeskundige in niet onaanzienlijke mate de belastbaarheid van appellant op dat onderdeel overschrijdt.

De Raad onderschrijft evenvermelde constatering door gedaagde van de bij de functie van inpakker op genoemd onderdeel zich voordoende discrepantie tussen enerzijds de voor appellant toegestane belastbaarheid en anderzijds de in de functie vereiste belasting. De Raad overweegt dat, zo al niet op grond hiervan zou dienen te worden geoordeeld dat deze functie ten onrechte als voor appellant passend is aangemerkt, in elk geval moet worden vastgesteld dat de geschiktheid van de functie van inpakker met te veel twijfel is omgeven om die functie als voor appellant passend te kunnen aanvaarden. In dit verband merkt de Raad, mede in het licht van het verhandelde ter zitting, nog op dat hij ingevolge zijn vaste rechtspraak wat betreft de functiebelasting, ook die op het hier aan de orde zijnde onderdeel kortcyclisch buigen, uitgaat van de gegevens zoals die blijken uit de CBBS-formulieren, zulks bij gebreke van enige concrete aanwijzing dat die gegevens niet juist zouden zijn.

Voorts heeft gedaagde ter zitting desgevraagd expliciet aangegeven dat, indien bedoelde functie van inpakker in verband met het vorenstaande zou moeten komen te vervallen als onderdeel van de schattingsgrondslag, gedaagde ervan uitgaat dat, mede gelet op het hier van toepassing zijnde arbeidsongeschiktheidscriterium en het door hem ter zake gevolgde beleid, de onderhavige schatting alsdan, als niet langer rustend op voldoende functies, een toereikende arbeidskundige grondslag zou komen te ontberen.

De Raad heeft geen aanleiding om gedaagde in dit standpunt niet te volgen. In het licht hiervan moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag berust en om die reden in rechte geen stand kan houden.

De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt derhalve ook voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322, - voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en eveneens op 322, - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 644, -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 118, - vergoedt.

Aldus gegeven door Ch. van Voorst als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x