Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU3515
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering herziening WAO-uitkering. Niet gebleken is dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, inhoudende dat betrokkenes klachten stabiel waren gebleven, onjuist is te achten. Geschiktheid voor de voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/6136 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de erven van [betrokkene], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens [betrokkene], hierna: betrokkene is mr. W.H.B.M. Litjens, advocaat te Elst, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem op 30 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. 03/162 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op 12 oktober 2004 is betrokkene overleden. Mr. Litjens, voornoemd, heeft de Raad bij brief van 22 december 2004 meegedeeld dat de erven de procedure voortzetten.

Naar aanleiding van een vanwege de Raad gestelde vraag heeft gedaagde op 21 juni 2005 een nader stuk ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 augustus 2005, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene is werkzaam geweest als productiemedewerker in een betonfabriek en is op 17 oktober 1995 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens hartklachten. Met ingang van 15 oktober 1996 zijn aan betrokkene uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Met ingang van 29 oktober 1997 is de AAW-uitkering ingetrokken en is de WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Per 20 maart 2001 heeft betrokkene zich ziek gemeld wegens evenwichtsstoornissen, duizeligheidsklachten en gehoorklachten alsmede hartklachten. Op 18 maart 2002 is hij onderzocht door de verzekeringsarts H.J. Streutker, die hierover op dezelfde datum een rapport heeft uitgebracht. Hierin is vermeld dat betrokkene in verband met zijn hartklachten energetische beperkingen heeft. Voorts is vermeld dat werken met ladders, stellingen, steigers en dergelijke dient te worden vermeden evenals werken met gevaar opleverende machines. In een zogeheten Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst heeft Streutker de voor betrokkene vastgestelde beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid vastgelegd. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige K.J. Geurts functies voor hem geselecteerd. In het door Geurts op 17 april 2002 uitgebrachte rapport is aangegeven dat, gezien de loonwaarde die aan de geselecteerde functies kan worden ontleend, de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene onveranderd op 15 tot 25% moet worden gesteld.

Bij besluit van 22 april 2002 heeft gedaagde aan betrokkene meegedeeld dat zijn
WAO-uitkering niet wordt herzien, op de grond dat er vanaf 20 maart 2001 geen periode valt aan te wijzen van 52 weken toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat in ieder geval geldt dat hij op 18 maart 2002 voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt was.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten informatie opgevraagd bij de behandelend cardioloog van betrokkene, dr. T.E.H. Hooghoudt, die een brief van 21 mei 2002, gericht aan de huisarts, heeft toegezonden. Hierin is onder meer vermeld dat bij betrokkene sprake is van angina pectoris klasse II en dat het beeld in de loop der tijd niet is veranderd. Op 23 oktober 2002 heeft Joosten een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat, gezien de beschikbare medische gegevens, terecht is aangenomen dat betrokkene nog een duurzaam te benutten arbeidsvermogen heeft en dat de voor hem geldende medische beperkingen juist zijn vastgesteld. Op 6 december 2002 heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga een rapport uitgebracht, waarin - naar aanleiding van het door betrokkene terzake aangevoerde bezwaar - is vermeld dat de voorgehouden functie van elektronicamonteur qua opleidingseis geschikt moet worden geacht.

Bij besluit van 10 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard.

In eerste aanleg heeft betrokkene onder meer een brief ingebracht van zijn behandelend longarts dr. W. van den Berg van 4 augustus 2003. Hierin is onder andere vermeld dat betrokkene sinds enkele maanden last heeft van longklachten en dat hij kortademig is bij inspanning. Voorts is vermeld dat na onderzoek bij betrokkene een gemengd kleincellig/niet-kleincellig longcarcinoom is geconstateerd, naar aanleiding waarvan chemotherapie en radiotherapie is toegepast. Gedaagde heeft in reactie hierop een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Joosten van 14 oktober 2003 ingezonden. Hierin is aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat de in maart 2001 gemelde hartklachten en duizeligheidsklachten verband hielden met het in 2003 geconstateerde longcarcinoom. Hierbij is opgemerkt dat thans longklachten en vermoeidheidsklachten voorop staan en dat een kleincellig longcarcinoom in het algemeen een snelgroeiende tumor is.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de medische beperkingen van betrokkene zijn onderschat. Wat betreft de door betrokkene overgelegde medische gegevens met betrekking tot het bij hem geconstateerde longcarcinoom heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan het standpunt terzake van de bezwaarverzekeringsarts. Voorts was de rechtbank van oordeel dat de aan betrokkene voorgehouden functies zowel in medisch als in arbeidskundig opzicht voor hem geschikt kunnen worden geacht.

In hoger beroep is namens betrokkene aangevoerd dat het bij hem in 2003 geconstateerde longcarcinoom reeds in 2001 aanwezig was. In dit verband is een ongedateerde verklaring van zijn huisarts overgelegd. Hierin is vermeld dat het longcarcinoom gezien zijn grootte al jaren aanwezig moet zijn geweest en dat achteraf bezien de bij betrokkene sinds jaren bestaande progressieve vermoeidheidsklachten gerelateerd moeten worden aan het longcarcinoom.
Gedaagde heeft verweer gevoerd en heeft hierbij verwezen naar het in eerste aanleg ingebrachte rapport van de bezwaarverzekeringsarts Joosten van 14 oktober 2003.

De Raad overweegt als volgt.

De verzekeringsarts Streutker heeft betrokkene lichamelijk onderzocht en heeft hierover uitgebreid gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts Joosten heeft mede op basis van de nadien beschikbaar gekomen informatie uit de behandelend sector geconcludeerd dat de medische beperkingen van betrokkene juist zijn vastgesteld. Het is voor de Raad niet komen vast te staan dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de medische beperkingen van betrokkene hebben onderschat. In dit verband overweegt de Raad dat hem niet is gebleken dat de visie van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot het bij betrokkene geconstateerde longcarcinoom, zoals verwoord in het rapport van 14 oktober 2003, onjuist moet worden geacht. Ook wat betreft de cardiale klachten van betrokkene is de Raad - mede gezien de hiervoor vermelde brief van de behandelend cardioloog Hooghoudt van 21 mei 2002 - niet gebleken dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts terzake, inhoudende dat deze klachten stabiel waren gebleven, onjuist is te achten.

De aan betrokkene voorgehouden functies kunnen naar het oordeel van de Raad voor hem geschikt worden geacht, mede gezien het rapport ‘Overleg va-ad - afwijkende functiebelasting’ van 4 april 2002 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Hettinga van 6 december 2002. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies met het voor betrokkene geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 21,8% en daarmee in indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15% tot 25%. Gedaagde heeft daarom terecht geweigerd om de WAO-uitkering van betrokkene, die naar deze arbeidsongeschiktheidsklasse werd berekend, te herzien.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x