Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU3678
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is het bezwaar tijdig ingediend? Het risico van indiening per fax ligt bij de verzender. Het verzendjournaal van de fax is onvoldoende bewijs.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/438 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 5 december 2002 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 7 december 2002 ingetrokken.

Namens gedaagde heeft mr. E. Köse, advocaat te [woonplaats], tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij schrijven van 4 juli 2003 heeft appellant gedaagde een termijn van vier weken gegeven na de dag van verzending van dit schrijven om de gronden van het bezwaar in te dienen vergezeld van een aankondiging - bij verzuim - van niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

Bij schrijven van 19 augustus 2003 heeft appellant gedaagde nogmaals een dergelijke termijn gegeven om de gronden van het bezwaar in te dienen, andermaal vergezeld van een aankondiging als evenbedoeld.

Bij besluit van 22 september 2003 heeft appellant het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 12 januari 2005, nummer WAO 03/3259-HA1, het beroep tegen het besluit van 22 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door gedaagde gemaakte proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht aan gedaagde vergoedt.

Appellant is van die uitspraak op bij aanvullend beroepsschrift met bijlage vermelde gronden in hoger beroep gekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 augustus 2005, waar namens appellant is verschenen mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, vergezeld door [naam].




II. MOTIVERING


Het bestreden besluit berust op het standpunt dat het bezwaarschrift onvolledig is aangezien gemachtigde van gedaagde niet voldaan heeft aan het bij brief van 19 augustus 2003 geuite verzoek om binnen vier weken na verzending van die brief de gronden van het bezwaar aan te vullen. Het bezwaar van gedaagde werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiser, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Eiser stelt - zakelijk weergegeven - dat de gemachtigde van eiser bij brief van 16 september 2003 de gronden van het bezwaarschrift heeft aangevuld en deze brief zowel per fax als per post aan verweerder heeft toegezonden. Ten bewijze van deze stelling heeft de gemachtigde een faxrapport overgelegd. De gemachtigde van eiser is van mening dat zij met dit faxrapport voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de gronden van bezwaar binnen de door verweerder gestelde termijn aan verweerder heeft doen toekomen, zeker nu verweerder hier niets tegenover stelt.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het faxnummer op het faxrapport het nummer van de afdeling bezwaar en beroep is. Verweerder stelt echter dat de medewerkers van de administratie van die afdeling desgevraagd hebben verklaard dat op het betreffende tijdstip geen fax is ontvangen. Er wordt na ontvangst van een fax wel een faxjournaal opgemaakt, maar deze journaals worden slechts 1 ŕ 2 dagen bewaard en daarna weggegooid. Toen de gemachtigde van eiser na ontvangst van het bestreden besluit telefonisch contact opnam met verweerder was het dan ook niet meer mogelijk om aan de hand van het faxjournaal na te gaan of de fax op 16 september 2003 ontvangen was.”

De rechtbank heeft vervolgens als volgt geoordeeld:

“De gemachtigde van eiser heeft een verzendjournaal overgelegd waarop, voor zover van belang, het volgende is af te lezen:

Datum, tijd    16/09  21:50
Faxnr/naam    0455793283
Result      ok    

Uit dit verzendjournaal blijkt dat op 16 september 2003 om 21.50 uur een fax is gezonden naar het op het journaal vermelde nummer. Verweerder heeft erkend dat dit het nummer van de afdeling bezwaar en beroep van de UWV-vestiging te Heerlen was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser door het overleggen van dit verzendjournaal aannemelijk gemaakt dat de gronden van het bezwaar op het genoemde tijdstip naar verweerder zijn verzonden.
Tegenover dit verzendbewijs kan verweerder niet volstaan met de enkele stelling dat hij de fax niet op 16 september 2003 ontvangen heeft. Op verweerder rustte, mede gezien de jurisprudentie van de CRvB terzake, de plicht om zorgvuldig te onderzoeken of het bewuste faxbericht is aangekomen. De omstandigheid dat dit onderzoek werd bemoeilijkt doordat de ontvangstjournaals niet meer voorhanden waren moet voor risico van verweerder blijven. De verwijzing naar mededelingen van administratiemedewerkers kan naar het oordeel van de rechtbank niet dienen als een voldoende geloofwaardige ontkenning van de ontvangst.
Gezien bovenstaande heeft verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.”

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.

Van de zijde van appellant is in hoger beroep verwezen naar een uitspraak van de Raad van 26 augustus 2004, nummer 04/1574 WAO (LJN AR1429), waar, in een vergelijkbare casus, als volgt is geoordeeld:
“Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, waarop zowel door appellante als door gedaagde is gewezen, is het indienen van gronden door middel van een faxbericht, gelijk verzending per post, op zichzelf aan te merken als een toelaatbare wijze van verzending. De aan deze wijze van indiening verbonden risico’s dienen voor rekening van de verzender te komen. Dat brengt met zich mee dat, mocht ontvangst door de geadresseerde ondanks zorgvuldig onderzoek niet bevestigd kunnen worden, het op de weg van verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Zoals ook door appellantes gemachtigde bij zijn hoger beroepschrift wordt aangegeven, is de mededeling “status OK” op het verzendjournaal wel een indicatie van ontvangst, maar vormt het geen sluitend bewijs daarvan. De Raad kan het namens appellante naar voren gebrachte standpunt dat er sprake zou zijn van onvoldoende zorgvuldig onderzoek niet onderschrijven en houdt het ervoor dat niet aangenomen kan worden dat het faxbericht van 16 september 2003, bij gebreke van een ontvangstbevestiging, door gedaagde is ontvangen.”

De Raad ziet geen aanleiding om in dit geding anders te oordelen dan in zijn evengenoemde uitspraak.

Terzijde merkt de Raad op dat het op zuiver toeval berust dat in bovenaangehaalde uitspraak dezelfde datum vermeld staat als die waar het om handelt in het onderhavige geding. Het betrof hier een ander kantoor van het Uwv.

Het voorgaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het inleidend beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 september 2005.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x