Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU3909
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Productiemedewerkster bij een fietsfabriek, uitgevallen met armklachten. Na intrekking van de WAO-uitkering heeft betrokkene haar werkzaamheden hervat en is opnieuw uitgevallen met toegenomen klachten. Kan betrokkene de geduide functies vervullen?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1151 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft gedaagde geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder de overweging dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid per einde van de wachttijd minder dan 15% in de zin van de WAO bedraagt.

Bij besluit van 4 januari 2002 heeft gedaagde het bezwaar gericht tegen het besluit van 6 februari 2001 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Zutphen.

Tijdens de beroepsprocedure heeft gedaagde op 16 oktober 2002 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: het bestreden besluit) genomen, inhoudende dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 16 april 2001 15-25% in de zin van de WAO bedraagt.

De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 29 januari 2003, reg.nr. AWB 02/175 WAO, het beroep tegen het besluit van 4 januari 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, zulks met bepalingen betreffende renteschade, griffierecht en kosten van rechtsbijstand.

Op bij aanvullend beroepschrift van 16 april 2003 aangevoerde gronden heeft mr. M.F. Kiers, advocaat te Deventer, namens appellante hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 16 maart 2004 heeft de gemachtigde van appellante de Raad brieven van de neurochirurg T. Beems d.dis. 27 november 2003 en 28 januari 2004 met bijlage doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 4 februari 2005. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek heropenend teneinde gedaagde de mogelijkheid te geven te reageren op de stukken die op 16 maart 2004 door de gemachtigde van appellante in geding zijn gebracht.

Bij schrijven van 14 april 2005 heeft gedaagde de Raad een rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter d.d. 14 april 2005 doen toekomen.

Hierop is bij schrijven van 17 mei 2005 (met bijlagen) door mr. R.H.H. Schepers, de opvolgend gemachtigde van appellante, gereageerd. Van de zijde van gedaagde is daarop een reactie gegeven bij brief van 13 juni 2005.

De behandeling van het geding is voortgezet ter zitting van de Raad gehouden op 19 augustus 2005. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar echtgenoot. Namens gedaagde is verschenen J.L. Geertsen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was werkzaam als productiemedewerkster in een fietsenfabriek totdat zij uitviel met armklachten. Zij heeft vervolgens een volledige WAO-uitkering toegekend gekregen welke per 1 november 1997 is ingetrokken. Nadien heeft appellante haar werkzaamheden voor 32 uur per week hervat. Op 10 maart 2000 is zij met toegenomen klachten uitgevallen.

De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit als juist aanvaard en in de voorhanden zijnde medische stukken geen aanknopingspunten kunnen vinden voor verdergaande beperkingen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er voldoende passende functies zijn waartoe appellante met haar krachten en bekwaamheden in staat is zodat appellante terecht is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25%.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het, nu er een diagnose is gesteld, aannemelijk is dat er op de datum in geding, 7 april 2000, meer beperkingen waren dan door gedaagde zijn aangenomen. Appellante had, naast lichamelijk klachten, ook psychische klachten op de in geding zijnde datum. De huisarts is met deze klachten bekend.

Met de rechtbank ziet de Raad in de voorhanden zijnde gegevens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit in medisch opzicht op een ontoereikende grondslag berust. De Raad acht hierbij van belang dat de verzekeringsarts, naast eigen onderzoek, de beschikking had over informatie afkomstig van appellantes revalidatiearts en neuroloog. De in Turkije gemaakte röntgenfoto waarop appellante zich beroept voor de toename van haar klachten is bijna twee en een half jaar na de datum in geding gemaakt. Ook de in hoger beroep ingebrachte nieuwe medische gegevens maken het bovenstaande oordeel niet anders. Het gegeven dat uit die stukken blijkt dat er een diagnose gesteld is, brengt niet met zich mee dat de beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld. Niet gebleken is dat appellante op de in geding zijnde datum meer of anders beperkt is dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen.
Met betrekking tot appellantes psychische klachten overweegt de Raad dat niet gebleken is dat deze klachten reeds op de datum in geding aanwezig waren.

Ook wat betreft het arbeidskundige aspect van de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling overweegt de Raad dat niet gebleken is dat het oordeel van gedaagde op een onjuiste grondslag berust. Gedaagde heeft appellante voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen voorgehouden die voor appellante als passend en geschikt aangemerkt kunnen worden. Vergelijking van het voor haar geldende maatmaninkomen met het loon dat zij kan verdienen met de voor haar passend te achten functies resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C.W. van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x