Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU3954
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht besloten de WAO-uitkering niet te herzien omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid kennelijk het gevolg was van een andere oorzaak dan die waarvoor betrokkene reeds uitkering ontving?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5389 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 4 april 2001 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 1 oktober 2003 (AWB 02/1344 WAO) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. U.J. van der Veldt, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 augustus 2005, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Van der Veldt voornoemd en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Sowka, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is op 29 januari 1990 wegens maagklachten arbeidsongeschikt geworden voor zijn arbeid als verdeler en trekkerchauffeur bij de bloemenveiling te Aalsmeer. Terzake van deze arbeidsongeschiktheid is aan appellant bij besluit van 8 maart 1991 in aansluiting op de wachttijd van 52 weken met ingang van 30 januari 1991 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De Raad heeft bij uitspraak van 22 maart 1994, onder vernietiging van de terzake gewezen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 november 1992, dat besluit vernietigd en bepaald dat aan appellant met ingang van 30 januari 1991 een uitkering toekomt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Appellant heeft zich op 24 november 1992, toen hij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld met klachten aan benen en voeten als gevolg van suikerziekte, moeheid en slapeloosheid en klachten in de maag en bovenbuik. Het aan appellant terzake van dit ziektegeval toegekende ziekengeld is bij rechtens onaantastbaar geworden besluit van 16 februari 1993 na 12 februari 1993 beëindigd, omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Een namens appellant op 21 mei 1997 bij gedaagde ingediend verzoek om het besluit van 16 februari 1993 te herzien, is door gedaagde op 23 juni 1997 afgewezen. Dit verzoek was onder meer gebaseerd op een brief van 14 juni 1995 van appellants toenmalige huisarts, onder meer inhoudende dat appellant sinds 15 december 1992 bekend was met suikerziekte.

Naar aanleiding van een telefonische melding op 12 januari 2000, waarbij appellant aangaf dat vanaf circa 20 december 1999 zijn ogen slechter waren geworden en dat hij daarvoor op 26 april 2000 een operatie zou ondergaan, is appellant gezien door een verzekeringsarts. Deze heeft blijkens een rapport van 19 juni 2000 mede op grond van informatie van de huisarts vastgesteld dat appellant een staaroperatie aan het linkeroog moest ondergaan en dat hij in verband met de oogklachten per 1 december 1999 toegenomen beperkt moest worden geacht.
Op 19 juni 2000 is tevens een belastbaarheidspatroon opgesteld.

Bij besluit van 19 juli 2000 is aan appellant meegedeeld dat de uitkering ingevolge de WAO niet werd herzien, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid kennelijk het gevolg was van een andere oorzaak dan die waarvoor hij reeds uitkering ontving.

Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en is naar aanleiding hiervan gezien door bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg. Deze heeft mede op grond van informatie van appellants huisarts, die bij brief van 2 februari 2001 heeft meegedeeld dat bij appellant nooit tekenen van retinopathie zijn geconstateerd, vastgesteld dat er geen sprake is geweest van een aan de reeds langer bestaande diabetes mellitus gerelateerde oogziekte, maar van een hiervan losstaand ziektebeeld, namelijk cataract (staar). Ook de diabetes mellitus en de reeds bekende chronische maagklachten gaven volgens de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding tot verdergaande beperkingen dan door de primaire verzekeringsarts waren vastgesteld.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

Aan het bestreden besluit ligt een beoordeling van appellants arbeidsongeschiktheid ten grondslag die is gebaseerd op artikel 37, tweede lid van de WAO.
Deze bepaling strekt ertoe dat, voor de daarin aangegeven personen, het risico van ontstaan van een grotere mate van arbeidsongeschiktheid dan waarnaar de lopende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, niet verzekerd is in zoverre die toeneming kennelijk is gelegen in een andere oorzaak dan die welke tot toekenning van die uitkering heeft geleid. Hieruit volgt niet, zoals de Raad onder meer heeft overwogen in zijn uitspraken van 27 april 1999, gepubliceerd in RSV 1999/180 en 8 mei 2001, gepubliceerd in RSV 2001/178, dat medische beperkingen die kennelijk voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak buiten beschouwing dienen te blijven, doch slechts dat, indien die beoordeling tot het oordeel leidt dat de mate van arbeidsongeschiktheid is toegenomen, herziening van de lopende uitkering wegens die toeneming achterwege blijft.

Op grond van de beschikbare medische gegevens - de Raad wijst op een brief van appellants huisarts van 5 februari 1993 en op diens voormelde brief van 14 juni 1995 - moet worden aangenomen dat appellant eerst in de loop van 1992 bij de behandelend sector bekend was met de ziekte diabetes mellitus, welke eventueel in verband met zijn oogklachten zou kunnen worden gebracht.
Het vorenstaande betekent dat gedaagde terecht het standpunt heeft ingenomen dat de medische beperkingen van appellant die voortvloeien uit zijn oogklachten, bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet buiten beschouwing kunnen blijven, maar dat deze er niet toe kunnen leiden dat de uitkering ingevolge de WAO wordt verhoogd in verband met een toeneming van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Naar het oordeel van de Raad is van de zijde van gedaagde echter niet inzichtelijk gemaakt of en in hoeverre appellants beperkingen voortvloeiende uit de maagklachten, welke de oorzaak vormden voor de toekenning van de uitkering ingevolge de WAO per 30 januari 1991, reden vormen voor toeneming van de arbeidsongeschiktheid.
De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 19 juni 2000 weliswaar gesteld dat met betrekking tot de aandoeningen, waarmee appellant al eerder bekend was, de situatie stationair was, maar de Raad moet vaststellen dat het belastbaarheidspatroon van 19 juni 2000 op tal van aspecten een zwaardere beperking kent dan aangegeven is op het belastbaarheidspatroon van 18 juni 1990. Nu niet valt uit te sluiten dat deze zwaardere beperkingen betrekking kunnen hebben op appellants reeds langer bestaande maagklachten en van de zijde van gedaagde niet is getoetst in hoeverre met inachtneming daarvan voor appellant nog passende functies zijn te selecteren, acht de Raad de besluitvorming onzorgvuldig.
Het bestreden besluit kan mitsdien wegens schending van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand blijven. Ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde recht van € 114,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x