Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU5226
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Eerstejaarsherbeoordeling. Intrekking WAO-uitkering. Is de medische en arbeidskundige grondslag van de schatting juist?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5645 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 16 mei 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 14 juli 2002 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van die datum minder dan 15% was.

Bij besluit van 16 oktober 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 23 oktober 2003, nummer AWB 02/1620 WAO, het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2002, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te [woonplaats], tegen die uitspraak op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadien nog nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 september 2005, waar appellante en haar gemachtigde, met schriftelijk bericht, niet zijn verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.J.M. van Haaften, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was laatstelijk werkzaam als cafetariamedewerkster gedurende 24 uur per week en is op 26 oktober 1998 uitgevallen met hoofd-, nek- en rugpijn. De verzekeringsarts R.J. Hooglander heeft na onderzoek en bestudering van de medisch-specialistische gegevens op basis van de diagnose migraine en cervicale discopathie medische beperkingen vastgesteld en het verzuimrisico tussen de 20 en 30% ingeschat. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige L.M.J. Stijnen slechts een tweetal in medisch opzicht passende functies kunnen selecteren en mede gelet op het verhoogde verzuimrisico appellante als 80-100% arbeidsongeschikt aangemerkt. Overeenkomstig dit oordeel heeft gedaagde aan appellante met ingang van 25 oktober 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de eerstejaarsherbeoordeling is appellante op 2 januari 2001 op het spreekuur van de verzekeringsarts L. Boots-Moerman gezien. Deze verzekeringsarts heeft op basis van de diagnose migraine, knieklachten rechts en cervicale discopathie beperkingen vastgesteld ten aanzien van het verrichten van arbeid. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige A.H.P. Offermans een aantal functies geselecteerd die appellante gezien haar medische belastbaarheid zou kunnen vervullen. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert volgens deze arbeidsdeskundige in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. In overeenstemming hiermee heeft gedaagde bij besluit van 16 mei 2002 de uitkering van appellante ingevolge de WAO per 14 juli 2002 ingetrokken.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en aangevoerd dat de medische klachten niet veranderd zijn en haar belemmeren om te werken, aangezien zij vanwege de zware hoofdpijnen en nekklachten 1 tot 2 dagen per week het bed moet houden en dus niet aan het normale arbeidsproces op geregelde dagen en tijden kan deelnemen. Ten aanzien van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is namens appellante aangevoerd dat zij niet in overeenstemming zijn met haar medische belastbaarheid, met name wat betreft het gebruik van de nek en de psychische belastbaarheid. In arbeidskundig opzicht is nog aangevoerd dat ten onrechte niet de zogeheten reductiefactor is toegepast.
De bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij heeft in zijn rapport van 15 oktober 2002 de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen onderschreven en heeft voorts de kennelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in een aantal van de voorgehouden functies akkoord bevonden. Gedaagde heeft vervolgens bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is ten aanzien van de reductiefactor en onder verwijzing naar het Besluit uurloonschatting 1999 (hierna: BUS) en een recente uitspraak van de Raad gemotiveerd uiteengezet waarom geen reductiefactor is gehanteerd.

In beroep is namens appellante gewezen op de nek-, hoofdpijn- en migraineklachten en op het verhoogde verzuimrisico. Gezien de urenomvang van een aantal van de geselecteerde functies acht appellante ook de arbeidskundige grondslag van de schatting onjuist.

De voornoemde bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij heeft in zijn rapport van 3 december 2002 nader toegelicht waarom de medische beperkingen in 2001 door de verzekeringsarts ten opzichte van de eerdere arbeidsongeschiktheidbeoordeling in 1999 lichter zijn ingeschat.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij ingestemd met de vaststelling van de medische beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies en daaraan toegevoegd dat van een verhoogd verzuimrisico onder die omstandigheden geen sprake kan zijn. Met verwijzing naar jurisprudentie van de Raad heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat de wijze waarop gedaagde in overeenstemming met de stappen 1 en 2 van het BUS functies heeft geselecteerd rechtens aanvaardbaar is.

In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank inzake de medische beperkingen aangevochten en is voor het overige verwezen naar hetgeen eerder in bezwaar en beroep is aangevoerd. Gedaagde heeft in het verweerschrift in hoger beroep het standpunt van appellante weersproken en in een later stadium - abusievelijk niet eerder overgelegde - nadere arbeidskundige stukken van de bezwaararbeidsdeskundige mr. J.J. van der Naald en een nader medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij van 3 maart 2004 overgelegd. Namens appellante is nog een nader rapport van 4 maart 2004 van de neuroloog-psychiater dr. K. Amery in het geding gebracht.

De Raad oordeelt als volgt.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling is de Raad van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van de medische beperkingen van appellante op 14 juli 2002, zoals vastgesteld door gedaagdes verzekeringsarts. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het oordeel van deze verzekeringsarts door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts op uitvoerige wijze nader is geadstrueerd en dat de vanwege appellante overgelegde nadere medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten geven voor twijfel aan voormeld oordeel. Dit geldt met name voor de eerdergenoemde brief van de neuroloog-psychiater dr. Amery, welke brief van ver na de datum in geding dateert en uiterst summier de situatie op dat moment beschrijft. In dit oordeel ligt ook besloten dat de Raad geen termen aanwezig acht voor inschakeling van een medische deskundige.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting verenigt de Raad zich volledig met hetgeen hieromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen. De Raad voegt daaraan toe dat de in hoger beroep door gedaagde overgelegde arbeidskundige stukken en de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk maken dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op de datum in geding voldoende actueel waren en door appellante met haar beperkingen konden worden vervuld.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x