Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU5236
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Betrokkene wordt terecht in staat geacht tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de functies die haar in het kader van de WAO-beoordeling als passende arbeidsmogelijkheden zijn voorgehouden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4930 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. W.A. Swildens, advocaat te Alkmaar, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening 17 september 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer WAO 02/1060.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 september 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Swildens, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. L. Ritsma, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende weergave van de van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Eiseres heeft sinds 19 april 1989 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen in verband met hoofdpijn en vermoeidheidsklachten als gevolg van een depressief syndroom. Met ingang van 4 januari 1999 heeft verweerder eiseresses WAO-uitkering vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

Met ingang van 5 juni 2000 heeft eiseres zich in het kader van de WAO toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens spanningsklachten. Per 23 juli 2001 heeft eiseres zich wegens deze klachten ziek gemeld in het kader van de Ziektewet (ZW).

In verband met eiseresses ziekmelding in het kader van de WAO heeft verweerders verzekeringsarts eiseres op 31 januari 2001 onderzocht. Daarbij heeft de verzekeringsarts eiseresses beperkingen vastgelegd in het belastbaarheidspatroon van 31 januari 2001.

Op basis van het belastbaarheidspatroon van 31 januari 2001 heeft verweerders arbeidsdeskundige de arbeidsmogelijkheden van eiseres op 3 juli 2001 onderzocht en hiervan rapport uitgebracht.

Bij besluit van 9 juli 2001 heeft verweerder eiseresses arbeidsongeschiktheid per 4 juni 2001 vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% en haar WAO-uitkering per deze datum beëindigd.

Tegen het besluit van 9 juli 2001 is namens eiseres bij brief van 9 augustus 2001, door verweerder ontvangen op 10 augustus 2001, een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 4 oktober 2001 heeft verweerder beslist dat eiseres met ingang van deze datum in het kader van de ZW niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van de in het kader van de WAO aan eiseres geduide functies.
Tegen het ZW-besluit van 4 oktober 2001 is namens eiseres bij brief van 16 oktober 2001, door verweerder op deze datum ontvangen, een bezwaarschrift ingediend.

Eiseres is op 20 november 2001 in het bijzijn van haar gemachtigde door verweerder op haar bezwaar gehoord.

In het kader van de bezwaarprocedure ten aanzien van het WAO-besluit heeft verweerder aanleiding gezien een expertise ten aanzien van eiseresses psychische gesteldheid te laten uitbrengen door psychiater C.J.F. Kemperman, hierna Kemperman, te Medemblik.
Kemperman heeft eiseres op 11 februari 2001 onderzocht en hierover op 27 februari 2002 een verslag uitgebracht.

Verweerders bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens op 4 juli 2002 eiseresses beperkingen opnieuw beoordeeld en het belastbaarheidspatroon aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op 2 augustus 2002 opnieuw eiseresses arbeidsmogelijkheden bekeken.

Bij besluit van 16 augustus 2002 heeft verweerder eiseresses bezwaar ten aanzien van het WAO-besluit ongegrond verklaard en bepaald dat eiseresses mate van arbeidsongeschiktheid per 4 juni 2001 ongewijzigd blijft vastgesteld naar minder dan 15%.
Bij ditzelfde besluit heeft verweerder eiseresses bezwaar tegen het ZW-besluit gegrond verklaard in dier voege dat eiseres eerst per 5 oktober 2001 in plaats van 4 oktober 2001 hersteld verklaard wordt.”

In dit geding ligt de vraag voor of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het besluit van 16 augustus 2002, hierna het bestreden besluit, in rechte stand kan houden. Op grond van het volgende beantwoordt de Raad die vraag in bevestigende zin.

De Raad stelt voorop - ook de rechtbank is daar impliciet van uitgegaan - dat het in dit geding bij beide door gedaagde in bezwaar gehandhaafde primaire besluiten, in het bijzonder wat betreft de medische en arbeidskundige grondslag van die besluiten, in overwegende mate om dezelfde rechtsvragen en derhalve om dezelfde beoordeling gaat. Van de zijde van appellante is desgevraagd ter zitting ook aangegeven dat de medische situatie van appellante op de in geding zijnde data 4 juni 2001 en 5 oktober 2001 dezelfde was, althans dat er geen sprake was van relevante verschillen.

Voorts overweegt de Raad dat hij, wat betreft de psychische gezondheidssituatie van appellante en de voor haar op het psychische vlak van toepassing te achten beperkingen, in navolging van de rechtbank in het bijzonder betekenis toekent aan het op verzoek van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts door de zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman omtrent appellante uitgebrachte expertiserapport van 27 februari 2002, zoals dat nadien, naar aanleiding van een reactie daarop van de zijde van appellante, nog is aangevuld bij schrijven van 12 juni 2002.
Genoemde arts heeft het door hem bij appellante aangetroffen beeld geclassificeerd als een aanpassingsstoornis met in de D.D. de depressie n.a.o., depressie in engere zin en (mogelijke) dysthymie en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis bij een lichte persoonlijkheidsstoornis met enige Cluster A (schizoïde en paranoïde), Cluster B (borderline) en Cluster C (afhankelijke en vermijdende) trekken. In verband hiermee heeft hij aangegeven dat voor appellante bij het verrichten van arbeid bepaalde beperkingen hebben te gelden. Die beperkingen zijn door gedaagdes bezwaarverzeke-ringsarts alle overgenomen.

Van de zijde van appellante wordt in hoger beroep staande gehouden dat zij in psychisch opzicht ernstiger beperkt is dan op grond van de rapportage van Kemperman door gedaagde is aangenomen. Zij heeft in dit verband, gelijk bij de rechtbank, weer in het bijzonder een beroep gedaan op een - aan de gemeente Alkmaar uitgebracht - rapport van 15 november 2002 van de aan Argonaut verbonden arts B.A.M. Verkade, waarin deze tot de conclusie komt dat bij appellante sprake is van forse beperkingen op psychische gronden waardoor zij marginaal in staat is te functioneren in het alledaagse leven. Naast de zorg voor haar kinderen en zichzelf heeft appellante naar het oordeel van Verkade geen restcapaciteit voor het verrichten van arbeid.

De Raad kan aan het rapport van Verkade niet de betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht zou willen zien. De Raad acht hierbij in de eerste plaats van belang dat Verkade appellante eerst geruime tijd na de in geding zijnde data, namelijk op 15 november 2002, heeft onderzocht en haar rapport geen aanknopingspunten bevat om het ervoor te houden dat de daarin opgenomen conclusies ook geacht zouden moeten worden betrekking te hebben op de beide in deze procedure in geding zijnde data, als hiervoor vermeld. In de tweede plaats is de Raad van oordeel dat bedoelde conclusies, die erop neer komen dat appellante op medische gronden volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, een genoegzame objectief-medische onderbouwing missen.

De Raad is van oordeel dat daarentegen de conclusies van Kemperman wel overtuigend, aan de hand van relevante medische afwegingen en beschouwingen, zijn gemotiveerd. De Raad gaat voorbij aan de door de gemachtigde van appellante ter zitting naar voren gebrachte bezwaren van algemene aard tegen Kemperman, die erop neerkomen dat deze arts bij rechtshulpverleners bekend staat als een arts die vrijwel altijd tot een voor de justitiabelen ongunstige conclusie komt, reeds omdat die bezwaren niet aan de hand van concrete gegevens zijn onderbouwd. De Raad heeft voorts in de rapportage van Kemperman geen enkel aanknopingspunt aangetroffen om het ervoor te houden dat Kemperman op enigerlei wijze ten aanzien van appellante vooringenomen zou zijn geweest.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de Raad de beperkingen van appellante op het psychische vlak juist vastgesteld acht, zodat geen aanleiding bestaat het namens appellante gedane verzoek te honoreren tot inschakeling van een onafhankelijk psychiater.

Ook ten aanzien van de voetklachten van appellante komt de Raad niet tot andere beschouwingen of een ander oordeel dan de rechtbank. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt niet dat appellante tegenover de verzekeringsartsen van gedaagde melding heeft gemaakt van zodanige klachten. In elk geval - en dit acht de Raad van meer belang - zijn er geen medische gegevens naar voren gekomen die erop zouden wijzen dat appellante op de in geding zijnde data relevante beperkingen als gevolg van de aandoening aan haar voeten ondervond. Ook in hoger beroep heeft zij dienaangaande geen nadere medische onderbouwing kunnen verstrekken.

Uitgaande aldus van de juistheid van het opgestelde belastbaarheidspatroon, zowel wat betreft de somatische als wat betreft de psychische beperkingen van appellante, is de Raad voorts van oordeel dat appellante terecht in staat is geacht tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de functies die haar in het kader van de WAO-beoordeling als passende arbeidsmogelijkheden zijn voorgehouden en die in het kader van de ZW-beoordeling gelden als de maatstaf waarnaar haar geschiktheid tot werken dient te worden beoordeeld.

Nu in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook overigens niet is kunnen blijken van aanknopingspunten om het bestreden besluit in rechte niet juist te achten, volgt uit het vorenoverwogene dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x