Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU5567
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Juistheid van de medische en arbeidskundige component.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6372 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. R.M. van Diepen, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 14 november 2003, onder reg.nr. WAO 00/143, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Bij brief van 28 september 2004 heeft gedaagde een nieuwe berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid doen toekomen.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 1 augustus 2005 nog een nader stuk toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 september 2005, waar appellant - zoals tevoren aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Oltmans, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant was laatstelijk werkzaam als allround magazijnmedewerker bij [naam bedrijf]. Op 26 mei 1998 heeft hij zijn werkzaamheden gestaakt wegens pijnklachten in de benen en psychische klachten. Aan hem is vervolgens ziekengeld betaald over de daarvoor geldende maximale duur. Op 14 april 1999 is appellant onderzocht door verzekeringsarts J. Biersteker, die hem in verband met zijn klachten beperkt belastbaar achtte en zowel fysieke als psychische beperkingen heeft aangegeven met behulp van een formulier Functie Informatie Systeem (FIS) vg/ad van 14 april 1999. Blijkens zijn rapport van 12 mei 1999 is de arbeidsdeskundige R. Gulikers tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een zestal andere functies, waaronder, onder meer, de functies van wikkelaar, printplaatmonteur en samensteller van metaalproducten. Op basis van deze drie functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15 tot 25%. Bij besluit van 20 mei 1999 is appellant in overeenstemming met dit rapport meegedeeld dat aan hem met ingang van 2 juni 1999 een WAO-uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer op 23 november 1999 rapport uitgebracht. Deze heeft de belastbaarheid van appellant, mede op basis van informatie van de behandelend psychiater A. Lisei en de huisarts D.B.J. Bokma, waaronder tevens informatie van de fysiotherapeut G. van der Veldt en orthopedisch chirurg R. van Dijk, opnieuw bezien en het oordeel van de verzekeringsarts Biersteker bevestigd. In overeenstemming met dit rapport heeft gedaagde bij besluit van 8 december 1999 (hierna: het bestreden besluit) de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft appellant laten onderzoeken door psychiater N. van Loenen en onder overneming van de in diens rapport van 15 november 2002 vermelde conclusies het beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de beperkingen, vooral op psychisch gebied, veel ernstiger zijn dan door gedaagde aangegeven. Voorts herhaalt appellant in hoger beroep zijn in eerste aanleg gegeven kritiek op het rapport van de psychiater
Van Loenen. Appellant is - kort gezegd - van mening dat het onderzoek van de psychiater Van Loenen ondeugdelijk is en berust op onvolledige informatie. Tot slot verzoekt appellant de Raad een nieuw deskundigenonderzoek te laten verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

Bij de vorming van zijn oordeel heeft de Raad - evenals de rechtbank -doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige psychiater Van Loenen. De deskundige is - in samenwerking met psycholoog E.A. Ameling - na eigen onderzoek van appellant en kennisname van het procesdossier tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrisch ziektebeeld of gebrek op grond waarvan beperkingen kunnen worden aangenomen voor appellant. De deskundige kan de door de verzekeringsarts vastgestelde psychische beperkingen dan ook niet onderbouwen en acht appellant in staat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. De Raad heeft geen aanleiding gezien om de door de deskundige getrokken conclusie voor onjuist te houden. De Raad is van oordeel dat gedaagde de psychische belastbaarheid van appellant bepaald niet heeft onderschat, nu de psychiater Van Loenen uit hoofde van zijn vakgebied ten aanzien van appellant geen beperkingen heeft kunnen vaststellen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding te voldoen aan het verzoek van appellant om een psychiater te benoemen als deskundige.

Met betrekking tot de lichamelijke beperkingen overweegt de Raad dat hij in de gedingstukken geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden dat gedaagde deze heeft onderschat. Dit betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.

Voor wat betreft het arbeidskundige gedeelte van de schatting stelt de Raad vast dat gedaagde in hoger beroep een nieuwe berekening van het maatmanloon heeft gemaakt, waarbij de omvang van de maatman is gesteld op 39,25 uur en het verlies aan verdiencapaciteit is uitgekomen op 24,1%. De nieuwe arbeidsongeschiktheidsberekening heeft niet leidt tot een hogere arbeidsongeschiktheid klasse. De Raad ziet geen aanleiding deze nieuwe berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid voor onjuist te houden. Nu de arbeidskundige component eveneens op goede gronden berust, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x