Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU5674
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/199 WAO, 05/201 WAO, 05/202 WAO, 05/203 WAO, 05/204 WAO, 05/205 WAO en 05/206 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 16 december 2004 onder kenmerk 02/4185 e.a. tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn behandeld ter zitting van de Raad op 15 september 2005, waar namens appellante is verschenen [naam werknemer], werkzaam in dienst van appellante, en gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.



II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de, door partijen niet betwiste, feiten, zoals deze in de aangevallen uitspraak zijn vastgesteld. Deze komen er op neer, dat de onderwijsinstelling [onderwijsinstelling] een feitelijk zelfstandig functionerend onderdeel vormde van de gemeente Amsterdam totdat het per 1 januari 1998 is ondergebracht in een stichting. Bij besluit van 21 november 2000 heeft gedaagde de in verband met de verzelfstandiging van [onderwijsinstelling] voor de heffing van de gedifferentieerde premie te hanteren verdeelsleutel als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie (het Besluit) vastgesteld op 0,97%. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend. Met partijen gaat de Raad er van uit dat de verzelfstandiging van [onderwijsinstelling] de overgang van een deel van de sector onderwijs van de gemeente Amsterdam inhield.

Bij besluiten van 28 augustus 2002, 24 januari 2003 en 29 januari 2004 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren gericht tegen de besluiten tot de (nadere) vaststelling van de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over 1998 tot en met 2004.

De hiertegen gerichte beroepen heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen, waarbij appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid:
“De lezing van eiseres, dat in het tweede lid van artikel 5 van het Besluit de “naar rato toepassing” betrekking heeft op de werknemer die in dienst was van de overdragende onderneming, is niet juist. De “naar rato toepassing” heeft betrekking op het deel van de loonsom dat het overgegane deel van de onderneming deel uitmaakte van de gehele onderneming, te weten in dit geval 0,97% van de loonsom”.

(...)

“Eiseres miskent (..) dat zij formeel geen werkgever was. De gemeente Amsterdam was de formele werkgever en de gemeente heeft over alle werknemers, zowel over diegenen die bij de [onderwijsinstelling] werkzaam waren als over diegenen die bij andere onderwijsinstellingen werkzaam waren, het werkgeversgezag uitgeoefend.”

(...)

“De laatste grief (...) faalt ook. Immers, zoals ook in de algemene toelichting (..) staat vermeld, worden aan eiseres toegerekend de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die in 2002 zijn uitbetaald aan personen die bij de werkgever danwel bij een geheel of gedeeltelijk door hem overgenomen onderneming, in dienst waren toen ze arbeidsongeschikt werken én die niet langer duren dan 5 jaar. Een WAO-uitkering zoals die van bijvoorbeeld F. van Kammer (...) is toegekend per 31 juli 1997 en heeft op 31 juli 2002 vijf jaar geduurd. Verweerder dient de tot 31 juli 2002 aan deze persoon betaalde WAO-uitkering bij eiseresses vaststelling van de gedifferentieerde premie over 2004 te betrekken. (...)”

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de motivering ervan. Hij voegt daaraan naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, het volgende toe.

Artikel 5 van het Besluit geeft een voorziening voor het geval dat sprake is van de overgang van een onderneming. Uitgangspunt is dat de bestaande arbeidsongeschiktheidslast wordt toegerekend aan de verkrijgende werkgever. Het gaat daarbij om alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend aan werknemers die op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in dienst waren van de overdragende werkgever. Het premieloon van de overdragende werkgever wordt voor de berekening van het gemiddelde premieloon opgeteld bij het premieloon van de verkrijgende werkgever.

Het tweede lid van artikel 5 van het Besluit treft een regeling voor het geval, als hier onbetwist het geval is, slechts een deel van de onderneming overgaat. De toerekening van de arbeidsongeschiktheidslast en de optelling van het premieloon gebeurt dan naar rato van het deel van de loonsom dat het overgedragen ondernemingsdeel uitmaakte van de gehele onderneming in het kalenderjaar voor de overgang. Dat verhoudingsgetal heeft gedaagde met zijn besluit van 21 november 2000 vastgesteld. Terecht heeft de rechtbank dienaangaande vastgesteld dat, hoe zeer ten aanzien van de vaststelling van dat verhoudingscijfer wellicht vragen zouden kunnen doen rijzen, deze onbesproken dienen te blijven, nu het besluit van 21 november 2000 formele rechtskracht heeft gekregen.

Dat, zoals appellante heeft betoogd, de pro rata toerekening van de arbeidsongeschiktheidslasten op grond van artikel 5, tweede lid, van het Besluit is beperkt tot de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die aan (ex-)werknemers zijn toegekend, die in het overgedragen ondernemingsdeel werkzaam waren, berust op een verkeerde lezing van artikel 5, tweede lid, van het Besluit.

Ook de door de rechtbank als laatste besproken grief is terecht en op goede gronden door haar verworpen, waar appellante heeft volstaan met de (enkele) stelling dat de gedifferentieerde premie over 2004 (mede) is berekend op basis van in meer dan vijf kalenderjaren betaalde WAO-uitkeringen. Appellante heeft (ook in hoger beroep) niet aangevoerd dat arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in aanmerking zijn genomen gedurende een langere betalingsperiode dan vijf jaar.

Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Nu het beroep ongegrond is verklaard, kan de door appellante gevraagde schadevergoeding niet worden toegewezen.
De Raad ziet geen aanleiding tot de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x