Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU5711
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/2377 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift van 20 april 2005 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 30 maart 2005, nr. AWB 05/82, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 september 2005, waar partijen - gedaagde met schriftelijk bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 14 september 2004 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen onder de overweging dat appellant op en na 29 april 2003 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

Tegen dat besluit heeft appellant bij brief, gedagtekend 22 oktober 2004, bezwaar gemaakt. Deze brief is door gedaagde op 1 november 2004 ontvangen. Het poststempel vermeldt de datum 28 X 04.

Bij besluit van 30 november 2004 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 14 september 2004 niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

"Gelet op het feit dat het bezwaarschrift is voorzien van een poststempel van TPG Post van 28 oktober 2004 heeft als uitgangspunt te gelden dat het bezwaar op die datum ter post is bezorgd. Eiser heeft weliswaar gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift uiterlijk op 26 oktober 2004 ter post is bezorgd. Het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is derhalve niet van toepassing.

De rechtbank komt naar aanleiding van hetgeen door eiser is aangevoerd voorts tot de conclusie dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is."

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij van mening blijft dat er wel degelijk iets mis is gegaan bij TPG post en dat derhalve de datum van een poststempel geen maatstaf mag zijn.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb volgt dat de bezwaartermijn in het voorliggende geval aanvangt met ingang van de dag na de dag van toezending van het besluit d.d. 14 september 2004, dat wil zeggen met ingang van woensdag 15 september 2004. De laatste dag van de bezwaartermijn is, gelet op artikel 6:7 van de Awb, dinsdag 26 oktober 2004.

Het bezwaarschrift is op maandag 1 november 2004, dus na afloop van de bezwaartermijn, door gedaagde ontvangen.
Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb zou het niettemin tijdig zijn ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn ter post is bezorgd. Het poststempel op de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden, vermeldt de datum 28 oktober 2004. Bij gebreke van enige concrete aanwijzing voor het tegendeel, moet de Raad er van uitgaan dat de ter postbezorging op 28 oktober 2004 heeft plaatsgevonden.
Hieruit volgt dat de Raad, evenals de rechtbank, moet concluderen dat toepassing van het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb evenmin tot het oordeel leidt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend.
De rechtbank heeft derhalve terecht de conclusie van gedaagde, dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, onderschreven.

Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend beroepschrift blijft ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Raad is niet gebleken van omstandigheden, welke door appellant overigens ook niet zijn aangevoerd, op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x