Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU6130
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Was betrokkene medisch gezien meer beperkt dan was vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4593 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 24 juli 2002 heeft gedaagde geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid na ommekomst van de wachttijd van 52 weken minder dan 15% bedraagt.

Bij besluit van 2 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar gericht tegen het besluit van 24 juli 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 2 september 2003, geregistreerd onder nummer WAO 03/17, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Op bij beroepschrift van 16 september 2003 (met bijlagen) aangevoerde gronden heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, namens appellante hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

Bij schrijven van 23 juli 2004 (met bijlage) heeft de gemachtigde van appellante aanvullende stukken ingebracht. Bij schrijven van 13 augustus 2004 (met bijlage) heeft gedaagde daarop een reactie gegeven.
Desgevraagd heeft gedaagde de Raad enige stukken met een arbeidskundige inhoud doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 september 2005, waar appellante en haar gemachtigde - zonder kennisgeving - niet zijn verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Roele, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellante was werkzaam als agrarisch medewerkster voor 37,5 uur per week, totdat zij zich op 11 januari 2001 ziek meldde wegens vermoeidheidsklachten.

De verzekeringsarts M.C. Groenewoud heeft appellante op 8 maart 2002 op zijn spreekuur gezien en mede op basis van een telefonisch onderhoud met appellantes behandelend klinisch psycholoog J. Timmer een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Naar Groenewouds mening is appellante in staat 40 uur per week te werken, verdeeld over 5 dagen. Appellante is beperkt geschikt geacht voor het hanteren van zware lasten en langdurig staan.

Appellante is van mening dat zij meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts is aangenomen. Ook stelt zij dat zij niet in staat is acht uur per dag te werken. Zij kan hooguit vier uur per dag werken. Daarna moet zij rusten/slapen. Appellante verwijst naar de brief van de arts J.M. Zuijdam d.d. 21 februari 2003, die stelt dat appellante op dat moment halve dagen kan werken, naar de brieven van de psycholoog/orthopedagoog drs. S. Brosens, d.dis. 17 maart 2003, 6 januari 2003, 2 september 2001 en 27 februari 2001, waarin zij verklaart dat appellante het aantal uren dat ze werkzaam is niet kan uitbreiden en naar het appellante betreffende medisch journaal van haar huisarts Y. Hiemstra.

Nu de gemachtigde van appellante bij schrijven van 3 maart 2005 heeft aangegeven dat hij in de arbeidskundige component geen wezenlijk feilen heeft kunnen onderkennen en ook de Raad hier, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen onjuistheden in heeft geconstateerd wordt het geschil beheerst door de vraag of appellante per 11 januari 2002 medisch gezien meer beperkt was dan vanwege gedaagde is vastgesteld.
De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtbank ontkennend. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde bij het opstellen van de FML in voldoende mate rekening gehouden met de klachten van appellante. Niet gebleken is dat het door de verzekeringsarts ingestelde onderzoek onzorgvuldig, onvolledig of anderszins ondeugdelijk is geweest en/of dat de door deze arts opgestelde FML niet met dat resultaat spoort. De van de zijde van appellante overgelegde (medische) stukken maken dat niet anders. De Raad overweegt hiertoe dat de brieven van Zuijdam en Brosens, voornoemd, geen betrekking hebben op de hier in geding zijnde datum van 11 januari 2002. Bovendien zijn de stellingen dat appellante slechts halve dagen kan werken gebaseerd op appellantes werkzaamheden als paardenverzorgster. Gedaagde is bij het selecteren van functies uitgegaan van veel lichtere functies, waarvan niet aannemelijk gemaakt is dat appellante deze niet voltijds kan verrichten. Bij de brieven van Brosens merkt de Raad overigens nog op dat het stukken van een niet-medicus betreffen en dat haar conclusies gebaseerd zijn op appellantes eigen klachtenbeleving. Ook uit het medisch journaal dat door appellantes huisarts is overgelegd blijkt niet dat appellante meer of anders beperkt is dan door gedaagde is aangenomen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. J. Brand als leden in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x