Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU6185
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is in de feitelijke verdiensten van betrokkene een bestanddeel aan "sociaal loon" inbegrepen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4544 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 september 2003, nummer 02/1444 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bemelmans en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.H. Nuyens, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant werkte als constructiebankwerker bij werkgever [naam werkgever] toen hij door ziekte in september 1990 uitviel. Hij heeft naderhand bij deze werkgever in aangepast werk hervat. Appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is in verband met de verdiensten uit deze werkzaamheden in het verleden een aantal malen herzien.

Bij besluit van 31 augustus 2001 is appellants uitkering ingevolge de WAO, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 1 september 2001 voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit op bezwaar van 21 juni 2002, verder: het bestreden besluit, is appellants bezwaar tegen voornoemd besluit van 31 augustus 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep zijn tussen partijen de medische belastbaarheid van appellant en het op de datum in geding in het bestreden besluit vastgestelde maatmaninkomen van 33,71 per uur niet meer in geschil. Ook is niet in geschil dat appellant op de datum in geschil uitsluitend kon worden geschat aan de hand van zijn feitelijke verdiensten bij werkgever [naam werkgever], bij wie hij op de datum in geding 23,75 uur per week werkte in aangepast werk en niet op basis van een zogeheten theoretische schatting.

Het geschil is beperkt tot de vraag of er in de feitelijke verdiensten van appellant bij werkgever [naam werkgever] die, omgerekend naar uurloon, op de datum in geding onbetwist 21,90 bedragen, een bestanddeel aan zogeheten "sociaal loon" is begrepen.

Als het bedrag van 21,90 met dat bestanddeel zou moeten worden verminderd, dan zou appellant daardoor in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse terecht kunnen komen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad acht niet voldoende aannemelijk geworden dat ten tijde als hier van belang nog een bestanddeel aan sociaal loon in het uurloon van 21,90 was verdisconteerd.

De Raad verwijst in verband hiermee naar het rapport van 6 april 2000 van de arbeidsdeskundige A.F. Heilbron waarin de werkgever stelt dat hij geen aanvulling meer wilde geven als sociaal loon zoals hij tot dan toe had gedaan.

Voorts verwijst de Raad naar het rapport van 23 augustus 2001 van de arbeidsdeskundige H.P. Rademaekers, dat tot het besluit van 31 augustus 2001 heeft geleid. In dat rapport heeft Rademaekers, die het bedrijf heeft bezocht en met de werkgever heeft gesproken, geschetst hoe het werk van appellant er uitzag voordat hij ziek werd en welk aangepast werk appellant daarna is gaan doen.

Letterlijk wordt als mededeling van de werkgever in het rapport van Rademaekers vermeld:
"De werkgever geeft aan dat het salaris dat belanghebbende ontvangt, overeenkomt met zijn loonwaarde en dat er geen sprake meer is van sociaal loon, zoals dat in het verleden van toepassing was en vastgesteld werd. Werkgever geeft aan dat belanghebbende een goed vakman is en dat hij zijn loon waarmaakt."

Deze verklaring van werkgever heeft de arbeidsdeskundige Rademaekers in een direct na het gesprek aan de werkgever toegezonden brief van 23 augustus 2001 bevestigd en voorts daarin vermeld tot welk schattingsresultaat appellants verdiensten zouden leiden.

Eerst in een aan de advocaat van appellant gerichte brief van 14 september 2005 stelt de inmiddels ex-werkgever dat appellant, nadat hij arbeidsongeschikt geworden was, minder gekwalificeerd werk is gaan doen maar dat hij toch zijn oude salaris als constructiebankwerker heeft behouden.

Nu deze verklaring met het oog op de onderhavige procedure in hoger beroep eerst 4 jaar na augustus 2001 is afgegeven en daarin ook niet wordt toegelicht, laat staan cijfermatig wordt onderbouwd in welk opzicht appellants werkzaamheden op de datum in geding het door appellant daarmee verdiende salaris niet waard waren, zal de Raad aan die verklaring voorbijgaan.

De omstandigheid dat in een tien jaar geleden gevoerde beroepsprocedure, waarin de datum 1 september 1992 -betrekkelijk kort nadat appellant in september 1990 arbeidsongeschikt was geworden- in geding was, de loonwaarde van appellants aangepaste werk voor de schatting mede is bepaald aan de hand van een CAO-tabel acht de Raad in dit geding, waarin de datum 1 september 2001 aan de orde is, niet meer van betekenis.

De Raad merkt overigens nog op dat, zelfs indien er al sprake zou zijn van een bestanddeel aan sociaal loon van bijvoorbeeld 15%, een vermindering van het uurloon van 21,90 met 15%, afgezet tegen een uurloon van 33,71, een arbeidsongeschiktheidspercentage van 44,8% oplevert, hetgeen de door gedaagde vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse niet overschrijdt.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x