Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU6249
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting met toepassing van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem. Motivering van het besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/5524 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg onder dagtekening 29 september 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer Awb 03/4. De gronden van het hoger beroep zijn bij aanvullend beroepschrift aangevoerd door mr. P.R. Klaver, kantoorgenoot van mr. Van Overloop, voornoemd.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 17 mei 2005, met als bijlage een rapport van 10 mei 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards, heeft gedaagde een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 13 september 2005, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


In geding is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het besluit van 28 november 2002, hierna: het bestreden besluit, in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 13 maart 2002. Bij laatstgenoemd besluit heeft gedaagde aan appellant, die op 9 april 2001 met rugklachten en psychische klachten was uitgevallen voor zijn via een uitzendbureau verrichte werkzaamheden als productiemedewerker bij een betonfabriek, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 8 april 2002, geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, op de grond dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.

Van de zijde van appellant is in beroep tegen het bestreden besluit naar voren gebracht dat hij zowel lichamelijk als psychisch meer beperkt is dan vanwege gedaagde is aangenomen. Appellant acht zich niet in staat de bij de schatting in aanmerking genomen functies te vervullen. Hij acht zich voorts niet in staat om gedurende acht uur per dag werkzaamheden te verrichten.

De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft voorts onvoldoende grond gezien om te twijfelen aan de juistheid van gedaagdes vaststelling van appellants beperkingen. In dit verband heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant zijn standpunt met betrekking tot zijn psychische belastbaarheid en zijn standpunt met betrekking tot zijn belastbaarheid op de door hem aangegeven lichamelijke aspecten, niet van enige medische onderbouwing heeft voorzien.

Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat haar ten aanzien van de geduide functies niet is gebleken dat de belasting in die functies de belastbaarheid van appellant overschrijdt, zodat gedaagde die functies als uitgangspunt heeft mogen nemen bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.

Nu vergelijking van de aan die functies te ontlenen verdiencapaciteit met de maatgevende verdiencapaciteit geen verlies aan verdienvermogen laat zien, heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant per 8 april 2002 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat hij als gevolg van zijn psychische en lichamelijke problemen volledig arbeidsongeschikt is. Hij meent dat de geduide functies wel degelijk zijn belastbaarheid overschrijden. Hij verzoekt in dit verband te worden onderzocht door een onafhankelijk deskundige.

De Raad ziet in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten om inzake de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen en geoordeeld. De Raad merkt op dat appellant ook in hoger beroep zijn standpunt dat hij psychisch en lichamelijk (beduidend) ernstiger beperkt is dan waarvan gedaagde is uitgegaan, niet op enigerlei wijze aan de hand van concrete medische gegevens heeft onderbouwd. De Raad heeft daarom geen redenen om te twijfelen aan het opgestelde belastbaarheidspatroon. Hierin ligt besloten dat evenmin aanleiding bestaat om het verzoek tot raadpleging van een deskundige te honoreren.

Uitgaande aldus van de juistheid van de ten aanzien van appellant in aanmerking genomen beperkingen, is de Raad voorts van oordeel dat de functies die bij de schatting zijn gebruikt voor appellant passend zijn te achten. De Raad heeft hierbij in het bijzonder gelet op de nadere motivering die ter zake bij het in rubriek I vermelde arbeidskundig rapport van 10 mei 2005 vanwege gedaagde is verstrekt, in reactie op het verzoek van de Raad aan gedaagde om aan te geven of zijn uitspraken van 9 november 2004 met betrekking tot het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) aanleiding geven om in de onderhavige zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op het bestreden besluit in te sturen.

Nu evenwel eerst met die nadere motivering een adequate en inzichtelijke onderbouwing is gegeven waarom de functies passend zijn te achten - de Raad wijst erop dat de primaire arbeidsdeskundige in diens rapport van 8 maart 2002, ondanks zijn constatering dat uit het CBBS arbeidsmogelijkheden met signaleringen zijn geselecteerd, heeft volstaan met de enkele opmerking dat hij op arbeidskundige gronden van mening is dat de belasting in de gebruikte functies de belastbaarheid van belanghebbende niet overschrijdt - ziet de Raad onder verwijzing naar zijn hiervoor vermelde uitspraken van 9 november 2004 aanleiding om het bestreden besluit, zij het met instandlating van de rechtsgevolgen daarvan, te vernietigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322, - voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en eveneens op 322, - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 644, -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x