Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU6280
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Het medisch onderzoek is in strijd met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Onderzoek door een niet-arts is niet acceptabel. Medisch onderzoek is uitsluitend volledig en zorgvuldig indien het is verricht door een arts.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4038 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 24 juni 2004, nummer 03/812 WAO N1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 oktober 2004, waar namens appellant, zoals tevoren was bericht, niemand is verschenen en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde A. Olijve.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 8 augustus 2003, verder: het bestreden besluit, heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen een eerder besluit van 29 januari 2003, waarbij de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van gedaagde met ingang van 16 maart 2003 wordt ingetrokken, aangezien appellant gedaagde met ingang van die laatste datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet acht.
De rechtbank heeft het bestreden besluit niet in stand gelaten. Zij heeft daartoe overwogen dat geen sprake is geweest van een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en omdat het onderzoek in strijd is met artikel 3 en artikel 4 van het Schattingsbesluit.
In verband daarmee heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak overwegingen gewijd aan de medewerker verzekeringsarts, ook wel medisch medewerker genoemd, die bij het onderzoek door de primair verzekeringsarts betrokken is geweest.

In zijn uitspraak van 29 september 2005, LJN AU3603, in een gelijksoortige zaak, waarbij appellant partij was en van welke uitspraak aan gedaagdes gemachtigde ter terechtzitting een geanonimiseerd afschrift is verstrekt, heeft de Raad, kort gezegd, geoordeeld dat de bewoordingen van artikel 3, tweede en derde lid, van het Schattingsbesluit, bezien op zichzelf als in samenhang met de overige voorschriften van het Schattingsbesluit betreffende het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, geen andere conclusie toelaten dan dat het in het kader van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen ingevolge de verschillende arbeidsongeschiktheidswetten uit te voeren verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitsluitend dient plaats te vinden door een verzekeringsarts.

Voorts heeft de Raad geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de regelgever het ook mogelijk heeft willen maken het verzekeringsgeneeskundige onderzoek, al dan niet vanwege of mede vanwege die verzekeringsarts en al dan niet onder verantwoordelijkheid van die arts, geheel of ten dele door een andere functionaris te doen plaatsvinden. Met name zag de Raad, anders dan de rechtbank, in de tekst van het Schattingsbesluit noch in de toelichting daarop ruimte voor de zienswijze dat onder omstandigheden dat onderzoek ook (ten dele) door een niet-arts zou kunnen worden verricht.

Eenzelfde oordeel moet ook in het onderhavige geding gelden, waarbij de Raad aantekent dat ook in dit geding de rechtbank Almelo een gelijkluidende zienswijze met betrekking tot het onder omstandigheden mogelijk zijn van onderzoek door een niet-arts heeft gegeven, welke zienswijze ook in dit geding door de Raad wordt verworpen.

De Raad komt met de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit, gelet op de wijze waarop de medische grondslag daarvan is voorbereid en tot stand gekomen, in strijd is te achten met de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit en artikel 3:2 van de Awb en derhalve in rechte geen stand kan houden.
De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, komt - zij het met enige wijziging van de gronden waarop deze berust - voor bevestiging in aanmerking.

Appellant zal opnieuw hebben te beslissen op het bezwaar van gedaagde met inachtneming van hetgeen de Raad in zijn uitspraak heeft overwogen. In het kader van het onderzoek dat aan het nieuwe besluit op bezwaar vooraf zal gaan, kan appellant tevens de alsnog in te winnen informatie bij de behandelaars van gedaagde in zijn besluitvorming betrekken. Gedaagdes gemachtigde heeft ter zitting van de Raad erop gewezen dat ten onrechte die informatie niet is ingewonnen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, waarbij de Raad opmerkt dat gedaagde kennelijk heeft nagelaten de rechtbank een vergoeding voor verletkosten voor het bijwonen van het geding in eerste aanleg te verzoeken en dat deze kosten, nu gedaagde geen zelfstandig hoger beroep heeft ingesteld, thans niet op de voet van evengenoemd artikel alsnog voor vergoeding in aanmerking kunnen worden gebracht.

De proceskosten in hoger beroep worden begroot op 180,- voor zes uur verletkosten voor gedaagdes gemachtigde en 28,60 voor reiskosten per openbaar vervoer om de zitting van de Raad bij te wonen, in totaal 208,60.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar van gedaagde met inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot 208,60, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x