Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU6341
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Moeten uitbetaalde spaaruren mee tellen bij de berekening van de hoogte van het dagloon? Opbouw in de referteperiode.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1670 WAO en 04/1671 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank s-Hertogenbosch van 27 februari 2004, kenmerk 01/2999 en 02/275.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 september 2005. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Klinkert, voornoemd, en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door V.A.R. Kali, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Partijen verschillen uitsluitend van mening over het antwoord op de vraag of de door appellants voormalig werkgever in periode 10 en 11 van 1998 uitbetaalde spaaruren mee moeten tellen bij de berekening van de hoogte van het dagloon van de uitkering die aan appellant is toegekend in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Gedaagde heeft deze vraag, in laatste instantie bij besluit van 7 mei 2003, ontkennend beantwoord en de rechtbank heeft het beroep daartegen ongegrond verklaard en daarbij - kort gezegd - overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitbetaalde spaaruren in de maanden oktober en november 1998 in de referteperiode zijn opgebouwd.

Appellant meent dat het beroep tegen het besluit van 7 mei 2003 ten onrechte ongegrond is verklaard en heeft aan de hand van een afschrift van zijn agenda gepoogd aan te tonen dat de in periode 10 en 11 van 1998 uitbetaalde spaaruren in de referteperiode zijn opgebouwd.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de overgelegde gegevens door appellant zelf zijn opgesteld en als zodanig niet verifieerbaar zijn. De enige verifieerbare gegevens blijven de salarisspecificaties en daaruit blijkt volgens gedaagde dat het onvoldoende aannemelijk is dat de uitbetaalde spaaruren in de maanden oktober en november 1998 in de referteperiode zijn opgebouwd.

De Raad overweegt als volgt.

Uit de door appellant overgelegde salarisspecificaties, die ook naar het oordeel van de Raad de meest aangewezen gegevens vermelden voor de dagloonvaststelling, blijkt dat het cumulatieve saldo van de zogeheten tijd voor tijd uren aan het begin van de referteperiode negatief (-9,25 uren) was. Voorts blijkt uit de salarisspecificaties dat appellant de eerste maanden van de referteperiode tijd voor tijd uren opbouwde. Een deel van deze opgebouwde uren werd (in geld of in tijd) opgenomen, maar maandelijks steeg het cumulatieve saldo van de tijd voor tijd uren.

Gelet op het negatieve saldo bij aanvang van de referteperiode, de opbouw die daarna plaatsvond alsmede de door appellant ter zitting gegeven toelichting, is de Raad van oordeel dat appellant in voldoende mate heeft aangetoond dat de door zijn voormalig werkgever de in perioden 10 en 11 uitbetaalde spaaruren eerst na aanvang van de referteperiode zijn opgebouwd. Al hetgeen namens gedaagde is aangevoerd doet daaraan niet af.

Het voorgaande betekent dat gedaagde bij de berekening van appellants dagloon voor de WAO ten onrechte de in periode 10 en 11 van 1998 uitbetaalde spaaruren buiten beschouwing heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, evenals - onder gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 7 mei 2003. De Raad ziet hierin tevens grond gelegen voor een proceskostenveroordeling van gedaagde in twee instanties. In eerste aanleg betreft het 1127,- (beroepschrift, twee zittingen en het desgevraagd reageren op het besluit van 7 mei 2003) en in hoger beroep 644,- (hoger beroepschrift en zitting).
Tevens heeft appellant gevorderd gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de niet uitbetaalde uitkering. Deze vordering dient eveneens te worden toegewezen. Voor de berekening van de schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 mei 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van appellant neemt;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van schadevergoeding als hiervoor weergegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal 1771,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant gestorte griffierecht van in totaal 129,23 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x