Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU6423
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Beleidsmedewerkster met darm-, nek-, schouder- en psychische klachten. Zijn de juiste beperkingen in acht genomen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/2987 WAO en 01/2988 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. H. Cornelis, advocaat te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 18 april 2001 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nrs. 1998/1654, 2000/531), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een verzoek van mr. Cornelis heeft gedaagde de stukken toegezonden die ten grondslag hebben gelegen aan een ten aanzien van appellante genomen besluit van 30 oktober 1995.

Mr. Cornelis heeft een op 11 juli 2002 door haar medisch adviseur drs. A.W. Lechner, arts te Rotterdam, uitgebracht advies ingezonden, waarop van de zijde van gedaagde is gereageerd bij rapport van bezwaarverzekeringsarts S. Gommers van 27 augustus 2002. Lechner heeft op dit rapport gereageerd bij brief van 15 oktober 2002.

Op verzoek van de Raad hebben achtereenvolgens M.P. Rulkens, revalidatiearts te Arnhem, en R.A. Achilles, psychiater te Amsterdam, appellante onderzocht en op respectievelijk 19 februari 2004 en 17 november 2004 rapport over hun bevindingen uitgebracht. Desgevraagd heeft Achilles, voornoemd, bij brief van 4 maart 2005 laten weten een aantal vragen niet te kunnen beantwoorden. Desgevraagd heeft gedaagde gereageerd op het door Achilles uitgebrachte rapport door middel van een rapport van Gommers van 7 juni 2005, op welk rapport Achilles desgevraagd heeft gereageerd per brief van 27 juli 2005.

Bij brief van 14 september 2005 heeft mr. Cornelis nog enkele stukken in geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 oktober 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelis, en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was werkzaam als beleidsmedewerkster bij een vakorganisatie voor onderwijzend personeel toen zij in mei 1994 uitviel met darmklachten. Na het bereiken van het einde van de wachttijd is aan haar een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Na verloop van tijd heeft zij haar werk weer volledig hervat en heeft gedaagde de WAO-uitkering met ingang van 1 november 1995 ingetrokken. Op 24 februari 1997 is appellante opnieuw uitgevallen met darmklachten. De verzekeringsarts H.I.T. Nauta-Brüggeman heeft appellante onderzocht en de actuele belastbaarheid vastgelegd. Na arbeidskundig onderzoek is een verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld van 66%. Bij twee besluiten van 18 februari 1998 is aan appellante na vier weken wachttijd met ingang van 24 maart 1997 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, respectievelijk de WAO-uitkering met ingang van 13 april 1998 herzien naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80. Het bezwaar van appellante tegen de verlaging van haar WAO-uitkering is bij besluit van 28 augustus 1998 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

In het kader van de eerstejaarsherbeoordeling is appellante onderzocht door de verzekeringsarts W.T.M. Swartjes, die na eigen onderzoek en bestudering van de door hem opgevraagde informatie bij de behandelend orthopedisch chirurg P.F. de Bruijn, tot de conclusie kwam dat de eerder vastgestelde belastbaarheid onverminderd van toepassing was. Arbeidskundig onderzoek liet een verlies aan verdiencapaciteit zien van 69,8%, waarna bij besluit van 6 september 1999 de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd is vastgesteld op 65 tot 80%. Het bezwaar van appellante tegen deze beslissing verklaarde gedaagde bij besluit van 18 februari 2000 (bestreden besluit 2) ongegrond.

De rechtbank heeft beide beroepen van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat zij meer beperkt is dan gedaagde heeft aangenomen en dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet door haar kunnen worden vervuld. Volgens appellante heeft gedaagde zowel haar darmklachten als haar nek- en schouderklachten onderschat en heeft ten onrechte geen onderzoek plaatsgevonden of bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de mogelijkheid aanwezig is om zich te kunnen wassen en verschonen en of de werkplek acuut kan worden verlaten.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de bestreden besluiten op een juiste medische grondslag berusten.

De namens appellante in geding gebrachte rapportage van de arts Lechner heeft de Raad aanvankelijk aanleiding gegeven een rapport over de medische situatie van appellante op respectievelijk 13 april 1998 en 6 september 1999 te laten uitbrengen door de revalidatiearts Rulkens. Rulkens heeft in zijn rapport van 19 februari 2004 aangegeven dat volgens hem geen anatomisch substraat voor de klachten van appellante kan worden aangegeven, maar dat er wel sprake is van een psycho somatose. Teneinde de ernst hiervan vast te stellen heeft Rulkens geadviseerd appellante te laten onderzoeken door een psychiater. Blijkens het rapport van 17 november 2004 heeft de psychiater Achilles geconstateerd dat er zowel ten tijde van zijn onderzoek als ten tijde van de in geding zijnde data 13 april 1998 en 6 september 1999 bij appellante sprake is van een paniekstoornis met agorafobie en dat er trekken aanwezig zijn van een obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Achilles heeft geen standpunt ingenomen over de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid van appellante en evenmin antwoord gegeven op de vraag of appellante op de data in geding in staat was tot het vervullen van de aan de schattingen ten grondslag gelegde functies. In zijn gestelde diagnose volgens DSM-IV is er op As I naast de paniekstoornis met agorafobie tevens sprake van een depressieve stoornis, in remissie.

In zijn reactie op het rapport van Achilles heeft Gommers uiteengezet dat de bevindingen van Achilles niet leiden tot het aannemen van verdergaande beperkingen. Volgens Gommers geeft het aanwezig zijn van trekken van een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis geen aanleiding tot het aannemen van beperkingen op basis van ziekte of gebrek en heeft appellante feitelijk ondanks deze persoonlijkheidsproblematiek gefunctioneerd in arbeid.
Naar zijn mening was op de data in geding geen sprake van een depressieve stoornis en is met de problematiek van de paniekstoornis met agorafobie voldoende rekening gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde verder naar voren gebracht dat Gommers op vragen van die gemachtigde heeft uiteengezet dat, indien wordt aangenomen dat er wel sprake zou zijn van een depressieve stoornis, deze stoornis niet tot het aannemen van meer beperkingen aanleiding geeft. Daarbij heeft Gommers opgemerkt dat in het geval van appellante aanzienlijke beperkingen ten aanzien van psychisch belastende factoren zijn aangenomen.

De Raad heeft, gelet op de hiervoor weergegeven medische gegevens, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Met de klachten van appellante is bij het vaststellen van de respectievelijke (gelijkluidende) belastbaarheidspatronen voldoende rekening gehouden. Appellante heeft althans na ontvangst van de rapporten van de dezerzijds ingeschakelde artsen geen medische gegevens in geding gebracht die aanleiding zouden moeten geven tot een andersluidend standpunt, dan wel tot twijfel. Aan het standpunt van de huisarts van appellante dat appellante per februari 1998 dusdanig gammel was dat fulltime werk niet aan de orde was, gaat de Raad voorbij als zijnde een niet nader medisch onderbouwde inschatting.

Met inachtneming van de voor haar geldende belastbaarheid moet appellante in staat worden geacht de aan de schattingen ten grondslag gelegde functies te verrichten. Het standpunt van appellante dat gedaagde had dienen te onderzoeken of bij deze functies de mogelijkheid bestaat om zich te kunnen wassen en verschonen onderschrijft de Raad niet. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat appellantes stelling dat sprake is van een medische noodzaak om zich te kunnen wassen en verschonen niet wordt ondersteund met medische gegevens, terwijl daarnaast met de invoering van artikel 2, aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit het eerder door de Raad gehanteerde criterium dat een functie slechts kan worden geduid indien vaststaat dat voorzieningen bij indiensttreding zullen worden getroffen dan wel reeds zijn getroffen, is verlaten.

Het mediaanloon van de drie hoogstverlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen levert in beide in geding zijnde situaties een verlies aan verdiencapaciteit op, dat indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80% rechtvaardigt.

Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x