Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU6508
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van besluiten van 1969 en 1993 inzake weigering c.q. intrekking van AAW- c.q. WAO-uitkering. Er zijn geen nieuwe feiten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4079 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 1 juli 2003 onder kenmerk 02/630 WAO 06 tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2005, waar namens appellante haar dochter [naam dochter] is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij het bestreden besluit van 5 maart 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 februari 2001 waarbij is geweigerd om terug te komen van de besluiten van 11 augustus 1993 en 6 februari 1969.
Bij besluit van 6 februari 1969 heeft gedaagdes rechtsvoorganger geweigerd om appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid op 4 januari 1969 minder dan 15% bedroeg. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.

Bij besluit van 11 augustus 1993 heeft gedaagdes rechtsvoorganger appellante ter zake op 1 januari 1971 ingetreden arbeidsongeschiktheid met ingang van 28 juni 1987 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend. Daarbij is overwogen dat van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen vormen om deze uitkering eerder dan een jaar voor de aanvraag te doen ingaan, niet is gebleken. Ook tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Bij besluit van 27 mei 1993 is de aan appellante toegekende AAW-uitkering per 1 januari 1994 ingetrokken, kort gezegd, omdat zij in het jaar voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit arbeid had verworven. Het daartegen ingestelde beroep heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 11 december 1998 in de zaak met kenmerk 97/5542. Hierin heeft de Raad overwogen dat de gedingstukken onvoldoende steun gaven voor de opvatting dat appellante niet eerder dan 1 januari 1971 arbeidsongeschikt was geworden. Het besluit van 27 mei 1993 is door de Raad vernietigd.

Vervolgens is een nader onderzoek ingesteld naar de dag waarop de arbeidsongeschiktheid van appellante is ontstaan. Bij brief van 4 februari 2000 is aan appellante, samengevat, bericht dat de betaling van haar AAW-uitkering vanaf 1 januari 1994 zou worden hersteld, daarbij uitgaande van 3 januari 1968 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag (waarmee aan de inkomenseis werd voldaan).

Bij brief van 16 maart 2000 heeft appellante gereageerd met, kort gezegd en naar de Raad begrijpt, het verzoek om haar met ingang van 1958 of 1969 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Gedaagde heeft deze brief naar het oordeel van de Raad terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 11 augustus 1993 en 6 februari 1969.

Bij het besluit van 21 februari 2001 is dat verzoek afgewezen, omdat gedaagde niet was gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding zouden geven om terug te komen van de genoemde, onherroepelijke besluiten.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante heeft nagelaten haar verzoek om terug te komen van de eerdere beslissingen met nieuwe feiten of omstandigheden te ondersteunen. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak van de Raad van 11 december 1998 niet een zodanig nieuw feit, omdat in dat geding uitsluitend in geschil was of appellante niet eerder dan op 1 januari 1971 arbeidsongeschikt was geworden.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank.

In artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

Hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht ter onderbouwing van haar opvatting dat gedaagde dient terug te komen van de eerdere beslissingen van 11 augustus 1993 en 6 februari 1969 kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Andere medische stukken dan reeds bekend ten tijde van de onherroepelijke besluiten zijn niet aan het verzoek ten grondslag gelegd. De uitspraak van de Raad van 11 december 1998 heeft geen betrekking op de WAO en houdt niets in omtrent de vraag of bijzondere omstandigheden konden nopen tot de toekenning van AAW-uitkering met verdergaande terugwerkende kracht van een jaar.

Gelet op het bovenstaande moet worden geoordeeld dat gedaagde bevoegd was om met toepassing van het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb, de aanvraag van appellante af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de beslissingen van 11 augustus 1993 en 6 februari 1969. In hetgeen namens appellante is gesteld ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Het beperkte toetsingskader als hier aan de orde staat, anders dan appellante blijkbaar meent, in de regel er aan in de weg dat de rechter overgaat tot het raadplegen van een deskundige.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) L.H. Vogt.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x