Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU6618
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering en invordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3986 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift met bijlage aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 3 juni 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer WAO 02/2075-ZWI.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2005, waar appellant niet is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad, voor zover van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 28 juni 1983 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke met ingang van 1 december 1983 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij een in 1993 door gedaagdes opsporingsdienst ingesteld onderzoek is aan het licht gekomen dat appellant sedert 1 januari 1989 werkzaamheden heeft verricht als kraanmachinist en daaruit inkomsten heeft genoten, zonder daarvan gedaagde tijdig en correct op de hoogte te stellen.

Bij besluiten van 7 januari 1994 heeft gedaagde vervolgens de uitkering van appellant met ingang van 1 januari 1989 ingetrokken respectievelijk de over het tijdvak van 1 januari 1989 tot en met 31 juli 1993 onverschuldigd aan appellant betaalde uitkering, ten bedrage van f 115.824,08 bruto, van hem teruggevorderd. Deze besluiten zijn uiteindelijk bij uitspraak van de Raad van 3 juni 1997 vernietigd. Reden hiervoor was dat de Raad zich niet kon verenigen met de wijze waarop gedaagde het maatmaninkomen van appellant had bepaald. Nu het intrekkingsbesluit in rechte geen stand kon houden, diende ook het op dat besluit steunende terugvorderingsbesluit te worden vernietigd. Voor dat geding geheel ten overvloede heeft de Raad in evenvermelde uitspraak tevens overwogen van oordeel te zijn dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij door toedoen van appellant ten onrechte uitkering betaalbaar heeft gesteld.

Ter uitvoering van genoemde uitspraak heeft gedaagde bij een drietal afzonderlijke besluiten van 21 mei 2001 achtereenvolgens de uitkering van appellant met ingang van 1 januari 1989 verlaagd naar de klasse 25 tot 35%, de aldus verlaagde uitkering met ingang van 1 januari 1990 ingetrokken en hetgeen als gevolg van die beide besluiten onverschuldigd aan appellant was betaald over de periode van 1 januari 1989 tot en met 31 juli 1993, ten bedrage van f 107.321,63 bruto, van appellant teruggevorderd.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 27 maart 2002 aan appellant meegedeeld dat, hij het vorderingsbedrag, groot € 46.427,07, in één keer dient te voldoen nu hij niet heeft gereageerd op diverse hem toegezonden brieven waarin werd verzocht om terugbetaling of een andere reactie met betrekking tot de vordering en appellant evenmin het hem op 1 maart 2002 toegezonden formulier “verklaring inkomsten”, dienende tot opgave van zijn sociale en financiële omstandigheden, ingevuld had geretourneerd. Bij besluit van 1 juli 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het tegen het besluit van 27 maart 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

In hoger beroep heeft appellant als een van zijn grieven tegen het bestreden besluit herhaald dat destijds de Raad in zijn hiervoor vermelde uitspraak van 3 juni 1997 gedaagdes besluiten van 7 januari 1994 “op alle punten” heeft vernietigd. De kennelijke strekking van die grief is dat gedaagde in verband met die vernietiging van zijn eerdere besluiten volgens appellant niet de mogelijkheid zou toekomen om opnieuw te beslissen omtrent intrekking en/of verlaging van zijn uitkering en omtrent de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, en deswege evenmin omtrent de invordering daarvan.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het gedaagde, gegeven de in de uitspraak van 3 juni 1997 gebezigde grond voor vernietiging van zijn eerdere besluiten van 7 januari 1994, alleszins vrijstond om een nieuw besluit te nemen omtrent de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 1 januari 1989. Datzelfde geldt voor de terugvordering. De Raad wijst in dit verband ook nog op zijn hiervoor vermelde - ten overvloede gegeven - overweging, waaruit juist kan worden afgeleid dat de Raad, voor het geval op grond van nadere besluitvorming zou komen vast te staan dat onverschuldigde betalingen aan appellant hebben plaatsgevonden, geen beletselen zag voor een (hernieuwde) terugvordering daarvan op de grond dat die onverschuldigde betalingen het gevolg zijn van toedoen van appellant.

Voor zover appellant in hoger beroep ook staande houdt zijn grief dat hij de uitvoeringsbesluiten van 21 mei 2001 nimmer heeft ontvangen, overweegt de Raad dat die grief, afgezien van de onaannemelijkheid daarvan in het licht van het gegeven dat appellant diverse andere aan hetzelfde - en juiste - adres gerichte brieven van gedaagde wel heeft ontvangen, reeds hierom geen doel treft nu appellant in elk geval uit latere brieven van gedaagde, onder meer een brief van 12 maart 2002, moet hebben begrepen dat inmiddels nieuwe besluitvorming, onder meer betreffende terugvordering, had plaatsgevonden en appellant niettemin daartegen ook na ontvangst van die brieven geen actie heeft ondernomen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de besluiten van 21 mei 2001 rechtens onaantastbaar zijn geworden.

Het bezwaar van appellant dat hij vanwege de door hem gepleegde fraude door de rechtbank Rotterdam reeds strafrechtelijk is veroordeeld en dat hij niet tweemaal voor hetzelfde delict kan worden gestraft faalt eveneens, daar terugvordering en invordering niet kunnen worden aangemerkt als strafoplegging. De van toepassing zijnde terugvorderingsbepalingen voorzien uitsluitend in de mogelijkheid om datgene terug te vorderen of in te vorderen wat onverschuldigd is betaald, en zijn aldus slechts gericht op herstel van de rechtmatige uitkeringssituatie. Met name voorzien die bepalingen niet erin om méér terug te vorderen dan onverschuldigd is betaald of in het anderszins opleggen van een punitieve sanctie in verband met het niet nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting.

Ten slotte overweegt de Raad dat hij, mede bij het ontbreken van tegen de invordering als zodanig gerichte grieven en gegeven het - onweersproken - feit dat appellant niet heeft gereageerd op gedaagdes verzoek tot het verstrekken van informatie omtrent zijn sociale en financiële omstandigheden, mede in het licht van het door gedaagde ter zake gevoerde beleid, geen aanknopingspunten heeft voor het oordeel dat gedaagdes besluit dat het terugvorderingsbedrag in zijn geheel opeisbaar is geworden, in rechte geen stand kan houden.

De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get). L.H. Vogt.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x