Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU6768
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Agrarisch medewerker met rugklachten. WAO-schatting. Is de psychische belastbaarheid juist ingeschat?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6592 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 29 augustus 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 4 oktober 2001 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 14 november 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft het door de gemachtigde van appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 14 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 14 november 2003, reg.nr. WAO 02/3533-KRD, ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 oktober 2005, waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant was werkzaam als agrarisch medewerker toen hij op 15 augustus 1995 uitviel met rugklachten. In aansluiting op de daarvoor geldende wachttijd heeft de rechtsvoorgangster van gedaagde appellant met ingang van 14 augustus 1996 een WAO-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar aanleiding van de aanvraag van appellant tot voortzetting van zijn WAO-uitkering heeft de verzekeringsarts J.P. Janssen blijkens zijn rapport van 14 juni 2001 aanvankelijk enkel op basis van dossierstudie vastgesteld dat het eerder voor appellant opgemaakte belastbaarheidspatroon van 22 juni 1997 nog onverminderd van toepassing is. Vervolgens heeft Jansen appellant alsnog onderzocht op zijn spreekuur van 12 juli 2001 en in zijn rapport van dezelfde datum vermeld dat bij appellant, die in het verleden tweemaal in verband met een hernia is geopereerd, nog steeds sprake is van veel pijn in de rug. Ter zake van de rug waren de bevindingen van Jansen niet duidelijk anders dan bij eerder onderzoek. Wat betreft de linker hand- en armklachten stelde Jansen, behalve hooguit wat verminderde kracht, ook geen duidelijke afwijkingen vast. Ten aanzien van de psychische status stelde Jansen vast dat de stemming gespannen en wat nerveus was, maar dat er geen tekenen van een depressie of vitaal depressieve symptomen waren. Desgevraagd ontving Jansen nog informatie van de huisarts van 16 juli 2001, waarin is verwerkt informatie van de behandelend neuroloog met betrekking tot een consult op 9 april 2001. Volgens de neuroloog waren er bij onderzoek na de operatie in 1996 geen aanwijzingen voor nieuwe radiculaire prikkeling of andere neurologische afwijkingen en stelde hij als diagnose tendomyogene rugpijn bij aggraverende man waarbij sprake lijkt van verdergaande somatisatie dan wel enig ander psychiatrisch toestandsbeeld. Op basis hiervan oordeelde Jansen op 12 (lees: 23) juli 2001 dat het eerder vermelde belastbaarheidspatroon van toepassing bleef. Vervolgens selecteerde de arbeidsdeskundige J. Sonneveld blijkens het rapport van 2 augustus 2001 een vijftal functies en berekende hij, uitgaande van de middelste van de drie hoogst verlonende functies, het verlies aan verdiencapaciteit op de datum in geding op 12,8%. Daarna nam gedaagde het primaire besluit van 29 augustus 2001.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant, dat er op neerkwam dat ten onrechte zijn psychische belastbaarheid niet beperkt is geacht, heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger blijkens zijn rapport van 19 februari/7 oktober 2002 appellant andermaal onderzocht. Volgens dit rapport was onderzoek van de rug praktisch onmogelijk omdat appellant de rug gefixeerd hield. Logger gaf voorts aan dat zijns inziens het bij zijn onderzoek vertoonde gedrag van appellant eerder imponeerde als aggravatie, simulatie en/of een nagebootste stoornis dan als een echte psychiatrische stoornis. Logger wees erop dat in het rapport van Jansen geen sprake was van actuele psychische klachten dan wel behandeling, terwijl ook een psychiatrisch rapport van 15 juli 1996 geen psychiatrische stoornis in engere zin vermeldde. Al met al had Logger geen aanleiding stoornissen te veronderstellen die tot een andere belastbaarheid aanleiding moesten geven dan door Jansen was gesteld. Vervolgens handhaafde gedaagde het primaire besluit bij zijn bestreden besluit.

De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte bezwaren in essentie herhaald. Deze komen er op neer dat naar zijn mening bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek geen juist beeld is verkregen van met name zijn psychische belastbaarheid en dat appellant geenszins in staat is de geduide functies gedurende 40 uur per week te vervullen.

De Raad heeft geen aanleiding gezien voor een ander oordeel omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. Met name zijn van de zijde van appellant geen gegevens van medische aard, afkomstig van bijvoorbeeld appellant behandelend artsen overgelegd, die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant ten tijde van de datum in geding en met name op de overigens uitvoerig onderbouwde visie van Logger op de psychische staat van appellant. Van aanwijzingen dat appellant op de datum in geding geen voltijdse arbeid zou kunnen verrichten of anderszins de hem geduide functies niet zou kunnen vervullen is de Raad uit de beschikbare gegevens niet gebleken.

Nu de Raad ook overigens, mede bezien in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, geen aanknopingspunten heeft gezien om het bestreden besluit als rechtens onjuist te bestempelen, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2005.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x