Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU7116
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofd FinanciŽn, uitgevallen met hartritmestoornissen. Intrekking WAO-uitkering. Stress. Is betrokkene geschikt voor zijn eigen werk en soortgelijke functies elders?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3889 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 23 juni 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. Awb 02-1063 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 oktober 2005, waar namens appellant is verschenen mr. Fischer, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Oltmans, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren [in] 1951, is als hoofd FinanciŽn bij het stadsdeel [naam stadsdeel] op 22 januari 1999 uitgevallen wegens hartritmestoornissen. Met ingang van 21 januari 2000 is hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Bij besluit van 12 maart 2001 is deze uitkering ongewijzigd voortgezet. Nadat de verzekeringsarts M. Bakker appellant had gezien en informatie had verkregen van de behandelend cardioloog R. Derksen is deze arts in zijn rapport van 22 augustus 2001 tot de conclusie gekomen dat er bij appellant geen sprake meer is van beperkingen als gevolg van ziekte. In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van 27 augustus 2001 meegedeeld dat hij weer geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk van hoofd FinanciŽn, dat hij om die reden niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht en dat zijn uitkering met ingang van 29 augustus 2001 wordt beŽindigd.

In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat zijn hartritmestoornissen worden veroorzaakt door stress. Aangezien het uitoefenen van de functie van Hoofd FinanciŽn stress met zich brengt, is hij van mening dat hij ten onrechte geschikt is geacht voor deze functie.

Op 14 juni 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans rapport uitgebracht. In dit rapport heeft hij zich kunnen verenigen met de bevindingen van de verzekeringsarts Bakker en bij daaropvolgend besluit van 21 juni 2002 heeft gedaagde, in overeenstemming met dit rapport, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant herhaald dat hij om medische redenen niet geschikt is voor de functie van hoofd FinanciŽn, waarbij ter ondersteuning van dit standpunt nog een verklaring d.d. 5 november 2002 van voornoemde cardioloog Derksen is overgelegd.
Op de in beroep naar voren gebrachte grieven is van de zijde van gedaagde gereageerd door middel van een rapport d.d. 12 december 2002 van de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns en een rapport d.d. 13 december 2002 van de bezwaararbeidsdeskundige F. Schrijer, waarop vervolgens van de zijde van appellant is gereageerd door middel van een schrijven van 19 december 2002. Bij dit schrijven was een verklaring d.d. 8 augustus 2002 van de werkgever van appellant gevoegd.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het medisch oordeel van gedaagde en is tot de conclusie gekomen dat gedaagde appellant terecht geschikt heeft geacht voor zijn functie van hoofd FinanciŽn. De rechtbank heeft het beroep dan ook ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht als eerder in de procedure.

De Raad overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek naar de klachten van appellant ingesteld. De Raad ziet geen aanleiding om de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat er bij appellant geen sprake (meer) is van beperkingen als gevolg van ziekte of gebreken voor onjuist te houden. Daarbij heeft de Raad in overweging genomen dat deze conclusie geheel in overeenstemming is met de bevindingen van voornoemde cardioloog Derksen, die geen objectieve afwijkingen bij appellant heeft kunnen constateren. Nu er bij gedaagde geen sprake is van beperkingen als gevolg van ziekte of gebreken, kan de Raad gedaagdes standpunt dat appellant niet om medische redenen ongeschikt is voor zijn functie van hoofd FinanciŽn niet voor onjuist houden.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer USZ 1999/48) rechtvaardigt geschiktheid voor eigen werk in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake is. Dit is slechts anders indien dit werk niet meer voorhanden is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval geen sprake. Ter zitting is van de zijde van gedaagde onweersproken gesteld dat ten tijde in geding deze en soortgelijke functies in voldoende mate elders bestonden.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde op goede gronden de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 augustus 2001 heeft beŽindigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist moet worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x