Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU7132
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ziekmelding (chronische vermoeidheidsklachten) vanuit een WW-uitkeringssituatie. Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Is de belastbaarheid overschat? Maatmanvaststelling. Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6460 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft J.R.Beukema, werkzaam bij Juricon Adviesgroep B.V. te Assen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 november 2003, nummer 02/1032 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens appellant is een nader stuk ingediend.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 oktober 2005, waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. Th. Martens, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was laatstelijk tot 1 februari 2000 gedurende 25 uur per week werkzaam als groepsleider/beheerder bij de [naam Stichting]. Appellant is op 18 februari 2000 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet uitgevallen met chronische vermoeidheidsklachten. Bij besluit van 8 februari 2001 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 16 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor wat het medisch onderdeel van de onderhavige schatting betreft, overwogen dat door appellant geen informatie van de behandelend sector is overgelegd op grond waarvan appellant meer beperkt zou moeten worden geacht dan door de verzekeringsgeneeskundigen van gedaagde is aangenomen. Nu appellant zijn grief dat hij zich niet kan verenigen met de gestelde belastbaarheid niet van een nadere motivering heeft voorzien, heeft de rechtbank het bestreden besluit in zoverre juist geacht. Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van het bestreden besluit heeft de rechtbank, nu appellant zijn stelling dat hij ongeschikt wordt geacht voor werken onder een aanmerkelijke tijdsdruk en voor werk waarin sprake is van conflicterende functie-eisen niet nader heeft onderbouwd, geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre eveneens voor juist dient te worden gehouden.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Voorts is appellant van mening dat gedaagde ten onrechte de Wet Amber niet op hem van toepassing heeft verklaard.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag, anders dan de rechtbank, in ontkennende zin.

De Raad overweegt daartoe als volgt.

In het kader van bovenvermelde ziekmelding op 18 februari 2000 is appellant op 18 december 2000 namens gedaagde door de verzekeringsarts B.J. Kuipers onderzocht en heeft deze een rapportage van dezelfde datum omtrent appellant opgesteld, alsmede een fis-formulier va/ad. Blijkens het onderdeel "anamnese" uit die rapportage heeft appellant verklaard altijd bij de politie te hebben gewerkt en in die functie altijd veel ziek te zijn geweest. In verband met chronische vermoeidheidsklachten is appellant van baan veranderd en in 1998 als beheerder bij het Leger des Heils gaan werken. Mede op basis van evengenoemde rapportage heeft gedaagde zijn primaire beslissing van 8 februari 2001 genomen, houdende toekenning aan appellant van een uitkering ingevolge de WAO met ingang van 16 februari 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In het kader van het door appellant tegen de primaire beslissing gemaakte bezwaar heeft appellant een zogeheten werknemerinformatiekaart, gedateerd 13 april 2000 en hem verstrekt door zijn toenmalige werkgever [naam werkgever], aan gedaagde overgelegd. Naar aanleiding van zijn bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke op 29 november 2001 omtrent appellant gerapporteerd. Fokke concludeert dat er bij appellant slechts sprake is van chronische vermoeidheidsverschijnselen, zonder objectiveerbare oorzaak, die deels in relatie gebracht moeten worden met de sociale omgevingsfactoren waarmee appellant geconfronteerd wordt, waarbij hij overigens aanzienlijk meer blijkt te kunnen dan hij zelf aangeeft. Volgens Fokke heeft de verzekeringsarts, gezien de activiteiten die appellant over de gehele dag verricht, onderbroken met rustpauzes, terecht geconstateerd dat appellant niet voldoet aan de criteria uit de Standaard "geen duurzaam benutbare mogelijkheden" en wordt appellant met de nu verwoorde fysieke beperkingen, alsmede met een urenbeperking tot 6 uur per dag, in staat geacht te werken in de hem geduide functies. Daarbij heeft Fokke opgemerkt dat bij de WAO-keuring geen rekening wordt gehouden met de energie en de tijd die appellant nodig heeft om zijn gezin draaiende te houden, anders dan dat dit mede reden is om te veronderstellen dat hij in staat is tot voldoende activiteiten. Tot slot merkt Fokke op dat namens gedaagde gegevens over appellants arbeidsverleden zouden zijn opgevraagd bij diens voorlaatste werkgever, te weten de [naam werkgever], c.q. het USZO, maar dat deze zich niet in het dossier bevinden en dat er, gezien de beschikbare gegevens, grond is voor de veronderstelling dat er bij appellant mogelijk sprake is van een langdurige uitkeringssituatie en van toepasselijkheid van de zogeheten Wet Amber.

De Raad heeft geen aanknopingspunten de beperkingen van appellant op de in het bestreden besluit beoordeelde datum 16 februari 2001, zoals deze namens gedaagde zijn vastgesteld, op zichzelf beschouwd voor onjuist te houden. In hoger beroep zijn namens appellant geen gegevens meer in het geding gebracht die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand op genoemde datum, zodat (ook) de Raad uitgaat van de juistheid van de door de verzekeringsarts Kuipers vastgestelde belastbaarheid, voor zover deze de beoordeelde datum betreft.

De Raad kan voorts gedaagdes handelwijze om een beslissing te geven waarbij, voor wat betreft de vaststelling van appellants eerste arbeidsongeschiktheidsdag, primair aansluiting is gezocht bij de door appellant opgegeven datum, op zich volgen. Zoals evenwel ook door Fokke is aangegeven, had gedaagdes onderzoek zich, mede gezien de door appellant overgelegde werknemerinformatiekaart van 13 april 2000, ook moeten uitstrekken over de periode voor de datum van appellants uitval in februari 2000. Uit die kaart blijkt immers van omvangrijk geheel dan wel gedeeltelijk ziekteverzuim van appellant in de periode van 28 juli 1995 tot 30 maart 1998. De Raad oordeelt dat het op de weg van gedaagde had gelegen om te onderzoeken of het veelvuldig ziekteverzuim van appellant bij zijn voorlaatste werkgever consequenties zou moeten hebben voor de vaststelling van appellants eerste arbeidsongeschiktheidsdag, alsmede voor de eventuele toepasselijkheid van de Wet Amber. Hetzelfde geldt voor de betekenis van de ziekmelding van appellant bij zijn laatste werkgever in augustus 1999, zoals vermeld in het hiervoor genoemde rapport van Kuipers.

Voor wat betreft de arbeidskundige kant van de onderhavige schatting constateert de Raad dat ook rekening wordt gehouden met de wijziging van appellants maatmanloon als gevolg van het mede daarbij betrekken van een onregelmatigheidstoeslag van f 261,76 per maand, zoals die blijkt uit de namens gedaagde gepresenteerde computerberekening van 8 februari 2001 en zoals door gedaagdes gemachtigde ter zitting toegelicht, en dat appellants arbeidsongeschiktheid door gedaagde op zich op de door gedaagde aangehouden datum in geding met juistheid is bepaald naar een mate van 45 tot 55%.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit mank gaat aan een zorgvuldig en volledig onderzoek naar alle relevante feiten en af te wegen belangen, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd. De vernietiging geldt ook de aangevallen uitspraak.

Gedaagde dient, gelet op het vorenstaande, een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Gezien het hiervoor overwogene ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade, die overigens door appellant niet nader is toegelicht, uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit op bezwaar zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 966,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 114,23,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2005.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x