Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU7243
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Premiedifferentiatie. Bezwaar van de werkgever tegen de WAO-toekenning aan de werknemer. Procedurele aspecten ten aanzien van de medische stukken. Evenwichtige procespositie. Het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer afgezet tegen het procesbelang van de werkgever.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3396 WAO en 02/3397 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante 1], gevestigd te [vestigingsplaats 1], en [appellant 2], gevestigd te [vestigingsplaats 2], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

Aan de gedingen heeft voorts deelgenomen:

[naam werknemer], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de werknemer.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellantes 1 en 2 heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank s-Hertogenbosch van 13 mei 2002, nummer AWB 98/3631 en AWB 00/4384, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd enkele in het dossier ontbrekende stukken ingestuurd.

De werknemer heeft desgevraagd geen toestemming gegeven om zijn medische gegevens aan appellantes 1 en 2 ter kennis te brengen.

De Raad heeft toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waardoor de kennisname van de medische stukken is voorbehouden aan mr. Van Zijl voornoemd en aan diens medisch adviseur drs. J.M.W.N. Derks. Voorts heeft de Raad met toepassing van dit artikel bijzondere toestemming verleend om de medische stukken voor te leggen aan een door mr. Van Zijl in te schakelen arbeidsdeskundige. Van laatstgenoemde toestemming is uiteindelijk geen gebruik gemaakt, althans er is geen arbeidskundige rapportage ingezonden.

Zowel mr. Van Zijl als gedaagde hebben nadere stukken ingezonden.

De werknemer heeft de Raad laten weten als partij aan het geding te willen deelnemen. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een schriftelijke uiteenzetting te geven over de zaak.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 18 oktober 2005, waar voor appellante 1 haar directeur [naam directeur] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zijl en drs. Derks voornoemd, welke laatste twee genoemden ook voor appellante 2 zijn verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. K.D. van Someren, werkzaam bij het Uwv. De werknemer is niet verschenen.




II. MOTIVERING


In zijn aanvullend hoger beroepschrift heeft mr. Van Zijl verzocht om een openbare behandeling van het beroep, welk verzoek ter zitting nader is toegelicht. De Raad heeft zich over dit verzoek beraden en heeft hiertoe de zitting gedurende enkele minuten geschorst. De Raad heeft geoordeeld niet te zullen afwijken van de wettelijke regeling neergelegd in artikel 88h van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), waarin is bepaald dat het onderzoek ter zitting, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaatsvindt. Daarbij is overwogen dat de werknemer geen toestemming heeft gegeven om zijn medische gegevens aan appellantes ter kennis te brengen. De behandeling ter zitting heeft, voorzover daarbij medische gegevens zijn besproken, met gesloten deuren plaatsgevonden.

Bij besluit van 12 december 1997 heeft gedaagde de door appellante 1 voor het jaar 1998 verschuldigde gedifferentieerde premie op grond van de WAO bepaald op 0,45%.

Bij besluit van 19 januari 2000 heeft gedaagde de door appellante 2 voor het jaar 2000 verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie bepaald op 2,29%.
Bij de besluiten van 27 april 1998 (hierna: bestreden besluit 1), respectievelijk 17 mei 2000 (hierna: bestreden besluit 2) heeft gedaagde de bezwaren van appellante 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 eveneens ongegrond verklaard.

De vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie hield mede verband met de in respectievelijk 1996 en 1998 aan de werknemer betaalde WAO-uitkering. De werknemer is vanaf 2 november 1987 tot 1 augustus 1996 als automonteur in dienst geweest van het garagebedrijf [naam garagebedrijf], van welk bedrijf de naam later is gewijzigd in[appellante 1] (appellante 1). Per 3 januari 2000 is het bedrijf overgenomen door appellante 2.

De werknemer is op 7 juni 1995 met nek- en rugklachten uitgevallen. Na afloop van de voor hem geldende wachttijd is aan hem met ingang van 5 juni 1996 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Naar aanleiding van de door de werknemer in een beroepsprocedure aangevoerde bezwaren en na het hebben verkregen van informatie van de behandelende sector, heeft de verzekeringsarts Y.A. Dorsman in een rapport van 29 augustus 1996 geconstateerd dat de oorspronkelijk in januari 1996 vastgestelde belastbaarheid niet wordt gehandhaafd en dat het niet meer mogelijk is om per einde wachttijd een belastbaarheid aan te geven. Gedaagde heeft daarop besloten de WAO-uitkering met terugwerkende kracht tot 5 juni 1996 te verhogen naar 80 tot 100%.

De bezwaren van appellante 1 en 2 tegen de bestreden besluiten 1 en 2 hebben zowel betrekking op enkele procedurele aspecten als op de medisch inhoudelijke aspecten inzake de toekenning van de WAO-uitkering aan de werknemer.

De procedurele aspecten hebben onder meer betrekking op de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb ten aanzien van de medische stukken.

Mr. Van Zijl heeft de stelling verdedigd dat ook bij toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, nog steeds niet wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154 (hierna: het EVRM), omdat de medische stukken alleen aan de gemachtigde van appellantes en aan diens medisch adviseur zijn verstrekt maar appellantes daar zelf geen kennis van hebben kunnen nemen.
Voorts is aangevoerd dat de rechtbank een nadere motivering had moeten geven voor haar weigering om de medische stukken aan appellantes ter beschikking te stellen. Zij had daarbij, aldus mr. Van Zijl, aandacht moeten besteden aan de motieven van de werknemer om de toestemming te weigeren. Bovendien had de rechtbank moeten onderzoeken welke medische informatie al uit andere hoofde bij appellantes bekend was.
De Raad wijst op zijn uitspraak nr. 00/3816 WAO van 20 juli 2001, LJN AB2857, waarin de Raad heeft onderkend dat de werkgever ook bij toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb inderdaad nog niet op geheel gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen. Het nog resterende verschil in behandeling brengt de werkgever echter niet in een wezenlijk nadeliger positie ten opzichte van andere partijen, als bedoeld in de in die uitspraak genoemde rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. Dat geldt ook met betrekking tot het standpunt dat de werkgever de werknemer niet door een arts van zijn keuze kan laten onderzoeken.
Bij de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb dient door de rechter te worden afgewogen of de zwaarte van de aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer afgezet tegen het procesbelang van de werkgever de toepassing van dit artikel rechtvaardigt. Bij de stukken waarop artikel 8:32, tweede lid, van de Awb is toegepast gaat het om medische rapporten. Gelet op de aard en inhoud van die stukken en het feit dat de werknemer een beroep heeft gedaan op zijn privacybelang is de toepassing van dit artikel naar het oordeel van de Raad gerechtvaardigd en hoeft niet per afzonderlijk document gemotiveerd te worden aangegeven welke belangenafweging is gemaakt.

Voorts is aangevoerd dat ook ten aanzien van de arbeidskundige component er geen sprake is van een evenwichtige procespositie omdat de werkgever geen inzicht kan krijgen in de selectie van functies uit het Functie Informatie Systeem (FIS). De Raad overweegt dat in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid van de aan het FIS ontleende gegevens tenzij die juistheid gemotiveerd wordt bestreden of de rechter aan de juistheid daarvan twijfelt, in welk geval aan het Uwv kan worden gevraagd om nadere gegevens te overleggen. De positie van de werkgever is in deze geen andere dan de positie van de werknemer. Overigens zijn er in deze zaak geen arbeidskundige aspecten aan de orde omdat aan de uiteindelijke toekenning van de volledige WAO-uitkering geen schatting op functies ten grondslag ligt.

Ten aanzien van de grief van appellantes dat als gevolg van de duur van de procedure een schending heeft plaatsgevonden van artikel 6 van het EVRM, oordeelt de Raad als volgt.
De Raad stelt vast dat de procedure, gerekend vanaf het indienen van de bezwaarschriften tot aan de datum van deze uitspraak, voor appellante 1 ruim 7 jaar en voor appellante 2 ruim 5 jaar heeft geduurd. In de lange duur van de procedure hebben de rechtbank en de Raad een groot aandeel gehad, zonder dat daar een rechtvaardiging voor kan worden gevonden.
Naar het oordeel van de Raad is derhalve sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM. Nu mr. Van Zijl ter zitting van de Raad heeft verklaard hieraan geen gevolgen te willen verbinden, zal de Raad dit ook niet doen.

Ten aanzien van de medische beoordeling is namens appellantes aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de bij de werknemer bestaande rug- en nekklachten per 5 juni 1996 tot volledige arbeidsongeschiktheid zouden moeten leiden. De werknemer had al veel langer last van deze klachten, wat ook al vr juni 1995 tot periodes van arbeidsongeschiktheid heeft geleid. Eerder was er in juni 1994 een belastbaarheidspatroon opgesteld en het is niet duidelijk waarom in januari 1996 van zwaardere beperkingen is uitgegaan. Voorts zou de verzekeringsarts Dorsman in haar rapport van 29 augustus 1996 ten onrechte uit de informatie van de behandelend revalidatiearts hebben afgeleid dat er sprake is van toegenomen beperkingen. De verzekeringsarts had daarom, aldus de gemachtigde van appellantes, zeker geen reden om haar eerdere beoordeling van januari 1996 te herroepen.

Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde in het bij het verweerschrift gevoegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 14 februari 2003 voldoende overtuigend beargumenteerd dat er ten opzichte van de situatie in 1994 wel degelijk sprake was van een verslechtering van de gezondheid van de werknemer. De informatie van de behandelende sector bevestigt die constatering. Hoewel de motivering van de verzekeringsarts Dorsman in haar rapport van 29 augustus 1996 summier was, is aan de beslissing om de werknemer met terugwerkende kracht tot 5 juni 1996 op medische gronden volledig arbeidsongeschikt te achten alsnog voldoende onderbouwing gegeven in het kader van de medische herbeoordeling waarover is gerapporteerd op 10 april 1997 en 1 juli 1997.
De Raad ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat de toekenning van de volledige WAO-uitkering en de voortzetting daarvan niet op goede gronden heeft plaatsgevonden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat moet worden beslist als in rubriek III wordt aangegeven.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

Namens appellantes is aangevoerd dat er aanleiding bestaat om gedaagde te veroordelen in de proceskosten, ook wanneer het hoger beroep niet slaagt. Gesteld wordt dat appellantes gedwongen zijn geweest om een beroepsprocedure te beginnen teneinde kennis te kunnen nemen van de medische gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de toekenning van de WAO-uitkering aan de werknemer.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift, onder verwijzing naar eerdere uitspraken van de Raad, onder andere de hiervoor genoemde uitspraak van 20 juli 2001, nr. 00/3816 WAO, beargumenteerd dat er in het onderhavige geval voor een proceskostenvergoeding geen reden is omdat de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard en voorts gedaagde geen verwijt treft met betrekking tot het voeren van de beroepsprocedure. Gedaagde was in de bezwaarprocedure immers gehouden om toepassing te geven aan de medische besluitenregeling die is neergelegd in artikel 88c van de WAO. De Raad onderschrijft die zienswijze van gedaagde.
Ten aanzien van de vordering dat de proceskosten in hoger beroep in elk geval wel vergoed zouden moeten worden omdat gedaagde in een laat stadium nog medische stukken aan het dossier heeft toegevoegd, overweegt de Raad het volgende. Gedoeld is op een aantal verzekeringsgeneeskundige rapportages, gedateerd 10 april 1997, 1 juli 1997 en 31 juli 2001, en een brief van de behandelend neuroloog van 4 juni 1997. De Raad is niet gebleken dat het hoger beroep is ingesteld teneinde kennis te kunnen nemen van die stukken. De betreffende stukken zijn ambtshalve opgevraagd omdat die in het dossier ontbraken. De Raad ziet hierin geen reden om de gevraagde proceskostenvergoeding in hoger beroep toe te kennen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x