Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU7247
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Is terecht geweigerd de WAO-uitkering te verhogen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2676 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 22 november 2001, waarbij hij heeft geweigerd om wegens per februari 2001 toegenomen arbeidsongeschiktheid over te gaan tot herziening van de aan appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op dat moment laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45% toegekende uitkering.

Bij uitspraak van 18 april 2003, kenmerk AWB 02/1293 WAO, heeft de rechtbank Zwolle het beroep van appellante tegen het besluit van 22 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift, gedateerd 28 mei 2002 (lees: 2003), nader aangevuld en toegelicht bij brieven van 23 augustus 2003 en 2 juli 2005 (met bijlage), aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 17 juli 2003, ingediend alsook bij brief van 4 augustus 2005 (met bijlage) een toelichting gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 september 2005. Appellante is in persoon verschenen. Voor gedaagde is verschenen E. ’t Jong, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aan appellante, tot haar uitval op 28 augustus 1974 werkzaam als groepsleidster in een schippersinternaat, is wegens rugklachten per 29 augustus 1975 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Die mate is bij besluiten van latere datum gewijzigd, laatstelijk per 1 augustus 1987 in 35-45%, en daarin is sedertdien geen wijziging meer gebracht.

Op 4 mei 2001 is appellante in het kader van de vijfdejaars-WAO-herbeoordeling op het spreekuur geweest bij verzekeringsarts W.M. van der Boog, bij welke gelegenheid zij heeft gesteld sinds een ruggenprik in februari 2001 wegens verergering van reeds jarenlang bestaande hoofdpijn en gewrichtspijn in handen, schouders, ellebogen, heupen en knieën toegenomen arbeidsongeschikt te zijn. Van der Boog heeft op 29 juni 2001 - na van de huisarts van appellante medische gegevens over de periode van 1972 tot en met 1999 en over de situatie medio juni 2001, met inbegrip van brieven van diverse medische specialisten door wie appellante kort daarvoor is behandeld, te hebben ontvangen - als hoofddiagnose gesteld ”Chronisch vermoeidheids syndroom/fibromyalgie” en als nevendiagnose ”Chronisch rugklachten, deels somatisch verklaarbaar vanwege laminectomie en spondylodese”. Voorts heeft Van der Boog als conclusie getrokken dat appellante geleidelijk aan in zodanige mate toegenomen arbeidsongeschikt is geworden dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden meer zijn.
In hetzelfde kader heeft de verzekeringsarts J.A. van der Storm op 11 januari 2002 op basis van de zich in het dossier bevindende gegevens geconcludeerd dat de in het verleden vastgestelde belastbaarheid van appellante niet is gewijzigd en arbeidskundig onderzoek achterwege kan blijven.

Bij het thans bestreden besluit tot handhaving van het primaire besluit van 22 november 2001, dat strekte tot weigering de WAO-uitkering wegens per februari 2001 toegenomen arbeidsongeschiktheid te verhogen, heeft gedaagde overwogen dat onder de gegeven omstandigheden herziening van de WAO-uitkering naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse niet mogelijk is, omdat - zoals door de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans op 10 september 2002 op grond van de dossierstukken is vastgesteld - de toename van de mate van arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit de rugklachten terzake waarvan de WAO-uitkering eerder aan appellante was toegekend, doch kennelijk andere oorzaken heeft (namelijk chronische vermoeidheid, fibromyalgie en somatisatie) welke niet in causale relatie tot die rugklachten staan. De ADL-afhankelijkheid van appellante komt voort uit ziektegedrag en is derhalve niet, zoals ingevolgde de WAO vereist, een direct gevolg van ziekte of gebrek, aldus Hofmans.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde terecht heeft geweigerd de WAO-uitkering aan appellante te verhogen.

Appellante heeft zich in hoger beroep, anders dan eerder in bezwaar en in beroep, op het standpunt gesteld en ter zitting desgevraagd bevestigd stellig van mening te zijn uitsluitend wegens per februari 2001 toegenomen rugklachten aanspraak te hebben op indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.
Het thans bij de Raad aanhangige geschil is daartoe dan ook beperkt.

De Raad overweegt als volgt.

Op grond van de gedingstukken kan de Raad het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt niet delen. Appellante is op 4 mei 2001 onderzocht door verzekeringsarts Van der Boog, die in aansluiting op dat onderzoek inlichtingen heeft ingewonnen bij alsook medio juni 2001 verkregen van de huisarts van appellante en langs die weg tevens de beschikking heeft gekregen over brieven van medische specialisten (orthopedisch chirurg J.J. Rondhuis, anesthesioloog J. de Gier en internist-infectioloog dr. P.H.P. Groeneveld) die appellante kort tevoren in de Isala-kliniek te Zwolle hebben behandeld.
Van der Boog is vervolgens in zijn rapport van 29 juni 2001 weliswaar gekomen tot de conclusie dat duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreken, maar heeft - zoals hiervoor is aangegeven - aan die conclusie niet ook beperkingen wat de rug van appellante betreft ten grondslag gelegd.
De verzekeringsarts Van der Storm heeft op 11 januari 2002 in de dossierstukken geen aanleiding gevonden om te komen tot een andere conclusie dan Van der Boog, terwijl daarna op 10 september 2002 bezwaarverzekeringsarts Hofmans daartoe evenmin aanleiding heeft gevonden.

Appellante heeft haar andersluidende standpunt niet onderbouwd door overlegging van een - op de datum thans in geding toegespitste - verklaring van een of meer van de artsen die haar in verband met haar rugklachten hebben behandeld dan wel van enige andere arts. Wel heeft appellante erop gewezen dat aan haar in verband met haar rugklachten op medische gronden in de loop der jaren door andere instanties diverse voorzieningen zijn toegekend, zoals in 1994 aanpassingen van haar woning en in februari 2002 een scootmobiel alsook later tevens een rolstoel.
Die voorzieningen zijn evenwel aan haar verstrekt op grond van een of meer andere wettelijke regelingen in het kader waarvan door andere instanties andere toetsingscriteria worden gehanteerd, zodat - nog daargelaten dat de scootmobiel en de rolstoel aan haar zijn verstrekt ná de datum thans in geding - daaraan niet zonder meer de betekenis kan worden toegekend die appellante daaraan in het kader van de WAO hecht en door gedaagde, de rechtbank en/of de Raad gehecht wil zien. Wat de aanpassingen van de woning van appellante in 1994 betreft ligt slechts een van 31 oktober 1994 daterend, aan de gemeente Zwolle gericht advies van een aan het ziekenhuis/verpleeghuis De Weezenlanden verbonden ergotherapeute voor, maar daarvan kan niet worden staande gehouden dat het om een door een arts afgegeven medische verklaring gaat, zodat daaraan in het kader van de WAO reeds daarom geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep.

Voorts in aanmerking genomen dat er geen aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist de Raad als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x