Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU7274
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schadevergoeding na intrekking van het bestreden besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/6239 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 12 december 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 28 augustus 2000 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gegrond verklaard en appellante medegedeeld dat haar WAO-uitkering per 28 augustus 2000 wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 4 november 2003, nummer AWB 02/2167 WAO, het beroep tegen het besluit van 28 maart 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. F.P.M. van Gerven, advocaat te Amsterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 29 juli 2005 en 11 oktober 2005 (met bijlagen) heeft gedaagde geantwoord op door de Raad gestelde vragen.

Bij faxbericht van 18 oktober 2005 heeft gedaagde de Raad medegedeeld dat het bestreden besluit niet langer kan worden gehandhaafd en daarom wordt ingetrokken.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 oktober 2005, waar appellante met kennisgeving niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt vast dat het bestreden besluit is ingetrokken. Uit dit besluit blijkt dat het in de plaats is getreden van het primaire besluit van 12 december 2000. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde verklaard dat daarmee het besluit van 12 december 2000 is ingetrokken en dat appellante ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Nu het bestreden besluit is ingetrokken omdat daaraan de grondslag is komen te ontvallen en nu namens appellant een verzoek is gedaan om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft appellante belang behouden bij vernietiging van de aangevallen uitspraak, zodat de Raad daartoe zal overgaan.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop gedaagde de aan appellante toekomende vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314. Daaruit volgt dat de eerste dag waarop gedaagde in casu over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet worden op 1 september 2000, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Voorts overweegt de Raad dat bij de berekening van de wettelijke rente, als vorenbedoeld, rekening dient te worden gehouden met hetgeen gedaagde krachtens een sociale zekerheidswet over hetzelfde tijdvak als waarop de nabetaling van de uitkering betrekking heeft, bruto heeft moeten verrekenen of aan derden bruto heeft moeten uitbetalen. De Raad zoekt daarbij aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 22 september 1995, gepubliceerd in JB 1995/275.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 966,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep van in totaal 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x