Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU7322
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vernietiging van het bestreden besluit. De genoegzame toelichting en onderbouwing van de schatting, die met behulp van het CBBS heeft plaatsgevonden, is uiteindelijk pas in hoger beroep gegeven.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4630 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft Th.G.M. Roovers op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 13 augustus 2003, nummer 03/48, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 20 juni 2005 en 29 juni 2005 heeft de gemachtigde van appellante de gronden van het hoger beroep nader toegelicht.

Gedaagde heeft naar aanleiding van een vraag van de Raad bij brief van 27 juni 2005 een rapport ingezonden van de bezwaararbeidsdeskundige P. Blom.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 november 2005, waar appellante - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M. Reitsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellante heeft op 12 juli 2001 haar werkzaamheden als montagemedewerkster zonnebankafdeling in verband met schouder- en armklachten gestaakt.

Op 6 mei 2002 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts Kok. Deze stelde vast dat appellante nog zou worden geopereerd aan een carpaaltunnelsyndroom rechts en concludeerde dat er in afwachting van deze operatie vooralsnog geen benutbare mogelijkheden waren in de sfeer van loonvormende arbeid.

Bij besluit van 24 mei 2002 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 11 juli 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 31 juli 2002 heeft appellante wederom het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts Kok. Aan diens rapport van dezelfde datum is het volgende ontleend.
"Op basis van bovenstaande bevindingen wordt geconcludeerd dat betrokkene herstellend is van de eerdere polsingreep en daarnaast in wat wisselende mate last heeft van myogene klachten in nek-, schouder- en ruggebied. Met inachtneming hiervan kan zij aangewezen worden geacht op licht fysiek belastende, meer in het bijzonder enigszins (re) handsparende arbeid, dit conform de aanwijzingen in de functionele mogelijkhedenlijst, die als bijlage bij deze rapportage is opgenomen.
(...)
De prognose t.a.v. werkhervatting en aandoening is:
Er bestaat momenteel een redelijke eindtoestand en op korte termijn (binnen drie maanden) is er geen aanzienlijke verandering in de belastbaarheid te verwachten."

Op basis van de door de verzekeringsarts Kok opgestelde functionele mogelijkhedenlijst heeft de arbeidsdeskundige Welleman een vijftal functies geselecteerd. Vergelijking van hetgeen appellante in deze functies kan verdienen met haar zogeheten maatmaninkomen leidde tot een verlies aan verdiencapaciteit van 1,62%. De door de arbeidsdeskundige Welleman geselecteerde functies zijn appellante bij brief van 28 augustus 2002 voorgehouden.

Bij besluit van 29 augustus 2002 heeft gedaagde appellante medegedeeld dat haar uitkering met ingang van 29 oktober 2002 wordt ingetrokken. Bij het bestreden besluit van 16 januari 2003 is - voorzover hier van belang - appellantes bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2002 ongegrond verklaard.

In beroep en ook in hoger beroep is namens appellante met name naar voren gebracht dat de verzekeringsarts op 31 juli 2002 van oordeel was dat appellante volledig arbeidsongeschikt was en dat daarin de eerste drie maanden geen verbetering te verwachten was. Appellante is derhalve van mening dat er ten onrechte een arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden.

Evenals de rechtbank kan de Raad appellante(s gemachtigde) hierin niet volgen. Zoals uit het hiervoor opgenomen citaat uit het rapport van 31 juli 2002 van de verzekeringsarts Kok blijkt, was deze niet van oordeel dat appellante arbeidsongeschikt was, doch dat zij belastbaar was volgens de door hem opgestelde functionele mogelijkhedenlijst. Mede gezien het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Van Dam-Horowitz ziet de Raad geen aanleiding dit oordeel van de verzekeringsarts Kok voor onjuist te houden. Door of namens appellante zijn geen medische gegevens aangedragen die twijfel doen ontstaan aan de juistheid van de door de verzekeringsarts Kok vastgestelde, voor appellante geldende belastbaarheid. Ook naar het oordeel van de Raad moest appellante op de in geding zijnde datum in staat worden geacht tot het verrichten van de voor haar geselecteerde functies, die blijkens de in hoger beroep door gedaagde gegeven toelichting in overeenstemming zijn met die belastbaarheid.

Ten slotte stelt de Raad vast dat gelet op het hiervoor overwogene de mate van arbeidsongeschiktheid als neergelegd in het bestreden besluit, dat voor 1 juli 2005 is genomen, juist moet worden geacht maar dat een genoegzame toelichting en onderbouwing van de schatting, die met behulp van het zogenaamde claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) heeft plaatsgevonden, uiteindelijk pas in hoger beroep door inzending van het rapport van 24 juni 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige Blom zijn gegeven.

Met verwijzing naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moet eveneens vernietigd worden.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden begroot op 5,04 aan reiskosten. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot 5,04, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte recht van 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2005.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x