Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU7398
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het UWV heeft tijdens het hoger beroep een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij betrokkene 80-100% arbeidsongeschikt wordt verklaard. Het belang bij beoordeling van het bestreden besluit is komen te vervallen, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1005 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 16 december 2003 heeft gedaagde de aanvraag van appellant om voortzetting van zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gebaseerd op 80 tot 100%, welke afliep op 27 september 2003, afgewezen omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% is vastgesteld. Dit heeft ertoe geleid dat appellants WAO-uitkering per 16 februari 2004 door gedaagde is beëindigd.

Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 26 februari 2004, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 4 januari 2005, reg.nr. WAO 04/1068, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Bij brief van 27 juni 2005 heeft gedaagde aan de Raad meegedeeld dat, na nader onderzoek, het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd en wordt ingetrokken. Vorenstaande leidt ertoe dat appellant ook op en na 16 februari 2004 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht moet worden. Dit standpunt heeft gedaagde middels een nieuwe beslissing op bezwaar, gedateerd 27 juni 2005, tevens aan appellant meegedeeld.

Namens appellant heeft mr. Kuit, voornoemd, de Raad meegedeeld dat met dit nieuwe besluit volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen en dat appellant daarbij nog enkel aanspraak heeft op een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten heeft mr. Kuit middels het inzenden van het zogenaamde “formulier proceskosten” nader gespecificeerd.

Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.




II. MOTIVERING


Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 27 juni 2005 heeft gedaagde te kennen gegeven dat appellants WAO-uitkering per 27 september 2003 zal worden voortgezet, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De intrekking van de WAO-uitkering per 16 februari 2004 komt te vervallen omdat appellant per deze datum ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Naar het oordeel van de Raad wordt hiermee geheel aan de grieven van appellant tegemoet gekomen.

Uit ’s Raads uitspraak, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

Nu een dergelijk verzoek niet is gedaan, is naar het oordeel van de Raad appellants procesbelang bij beoordeling van het bestreden besluit komen te vervallen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Met betrekking tot de gevraagde proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemerverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van € 139,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2005.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) S. Sweep.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x