Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU7467
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van toegenomen klachten en/of beperkingen die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/6153 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 5 december 2002 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat de uitkering die appellant ontving ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongewijzigd wordt voortgezet in de klasse van 15 tot 25%.

Bij besluit van 17 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Assen heeft in haar uitspraak van 30 oktober 2003, reg.nr. 03/487 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. F.Y. van der Pol, werkzaam bij Rechtshulp Noord, op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Van gedaagde is een verweerschrift ontvangen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 oktober 2005, waar appellant en zijn gemachtigde, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. T.M. Snippe, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is in 1992 uitgevallen met onder meer rugklachten en ontvangt een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Hij heeft zich op 26 augustus 2002 ziek gemeld in verband met rugklachten. In verband met deze ziekmelding is appellant op 3 december 2002 gezien door verzekeringsarts A.R. van der Wal. Deze heeft vastgesteld dat geen sprake is van toegenomen klachten en beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak die langer hebben geduurd dan vier weken. Deze beoordeling heeft gedaagde aanleiding gegeven om bij het reeds genoemde besluit van 5 december 2002 te besluiten dat de WAO-uitkering van appellant niet zal worden verhoogd, nu geen sprake is van toegenomen klachten en/of beperkingen die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak en die langer dan vier weken hebben geduurd.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar en vervolgens beroep aangetekend. Na ongegrondverklaring van zijn beroep is appellant in hoger beroep bij de Raad gekomen.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens een arbeidskundige rapportage van 3 september 2002 in verband met de beŽindiging van bemiddeling en reÔntegratie op 27 augustus 2002 klaagde appellant over rugklachten wegens spit. Een verzekeringsarts heeft appellant onderzocht op 3 december 2002 en heeft deze diagnose overgenomen. Deze verzekeringsarts heeft vervolgens opgemerkt dat spitklachten doorgaans niet langer dan vier weken duren. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 17 april 2003 genoteerd dat appellant klaagde over spit.

Voorts heeft gedaagde verduidelijkt in zijn verweerschrift van 22 januari 2004 dat appellant in 2002 leed aan chronische rugklachten, terwijl spit een vorm van acute rugklachten is. De ziekmelding van augustus 2002 had dan ook geen betrekking op klachten volgend uit dezelfde oorzaak.

De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan laatstvermeld argument, temeer daar van de zijde van appellant geen medische gegevens zijn overgelegd die twijfel doen rijzen dat de ziekmelding van 26 augustus 2002 betrekking had op spit. In de door appellant overgelegde verklaringen van de huisarts van appellant, gedateerd 23 februari 2004, en van de revalidatiearts van appellant van 20 oktober 2003 worden immers geen gegevens aangedragen die twijfel kunnen wekken aan het oordeel van gedaagdes verzekeringsartsen en deze verklaringen hebben bovendien betrekking op de situatie geruime tijd na datum in geding. Dat de verzekeringsarts appellant pas geruime tijd na de ziekmelding heeft gezien, staat er in de onderhavige zaak niet aan in de weg om de conclusies van deze arts te volgen.

De Raad stelt vervolgens vast, zoals in bestendige jurisprudentie van de Raad (waaronder de uitspraak van de Raad van 3 april 2001, 97/11695 WAO, LJN AB1845) al gebleken is, dat bij een aanvraag als de onderhavige, gebaseerd op artikel 39a van de WAO, geen noodzaak bestaat om een arbeidskundig onderzoek te verrichten.

De Raad ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding de aangevallen uitspraak niet in stand te laten.
Evenmin acht de Raad termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt dan ook als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr. M.C.M.van Laar en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x