Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU7912
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening of intrekking van een toegekende uitkering. Terugwerkende kracht. Strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4008 WAO en 05/5797 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 20 juni 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, registratienummer AWB 02/511 WAO.

Namens gedaagde heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend en vervolgens, in aanvulling daarop, enige nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 november 2005, waar namens appellant is verschenen mr. Y.P.J. Derksen, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Voor zover voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang, gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde is in 1988 wegens hartklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als bouwvakker/metselaar. Daarnaast heeft hij ook rug- en voetklachten. Appellant heeft gedaagde in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke uitkering laatstelijk, vanaf februari 1996, (weer) werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Blijkens een zogeheten rapport werknemersfraude van 12 juli 2000, is bij onderzoek aan het licht gekomen dat gedaagde vanaf 10 april 1997 tegen betaling (klus)werkzaamheden voor particulieren heeft verricht.

Appellant is daarop overgegaan tot instellen van een heronderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde. De verzekeringsarts van appellant heeft gedaagde op 20 november 2000 onderzocht en is daarbij tot de slotsom gekomen dat gedaagde tot veel meer in staat is dan destijds op grond van op 27 januari 1997 gehouden onderzoek was aangenomen. De geconstateerde actuele belastbaarheid van gedaagde bestaat naar het oordeel van de verzekeringsarts reeds jaren en is in feite ongeveer gelijk aan de belastbaarheid op 31 mei 1995.

De arbeidsdeskundige van appellant heeft vervolgens geconcludeerd dat, anders dan destijds in 1997 het geval was, thans wel voldoende passende functies vallen aan te wijzen, dat bedoelde functies ook voorkomen per 10 april 1997 en dat aan die functies een zodanige verdiencapaciteit valt te ontlenen dat gedaagde in aanmerking komt voor indeling in de klasse 25 tot 35%.

Appellant heeft daarop, in lijn met evenvermelde conclusies van zijn verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, bij besluit van 21 december 2000 de uitkering van gedaagde met terugwerkende kracht ingaande 10 april 1997 herzien naar 25 tot 35%. Tevens zijn bij dat besluit over enkele nader aangegeven tijdvakken in het jaar 1999 kortingen, in de zin van een nihilstelling, toegepast op gedaagdes uitkering. Bij een tweetal andere besluiten van gelijke datum is appellant onder meer overgegaan tot terugvordering van een bedrag van ruim f 97.000,--, als onverschuldigd betaald over de periode van 10 april 1997 tot en met 31 december 2000, en tot oplegging van een boete.

Bij besluit van 26 april 2002 heeft appellant de tegen de besluiten van 21 december 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Nadat daartegen beroep was ingesteld heeft appellant bij nader besluit van 13 augustus 2002 bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingaande (de Raad begrijpt:) 10 april 1997 alsnog dient te worden gesteld op 35 tot 45%. Ten grondslag hieraan ligt een gewijzigde berekening van het maatgevende inkomen.

De rechtbank heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het besluit van 26 april 2002 mede gericht geacht tegen het besluit van 13 augustus 2002.

De rechtbank heeft vastgesteld dat gedaagde naast zijn WAO-uitkering werkzaamheden heeft verricht als door appellant aangenomen en zulks ook tegen de betalingen als door appellant aangenomen. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat gedaagde deze betalingen ten onrechte niet aan appellant heeft opgegeven.

De rechtbank heeft zich echter niet kunnen verenigen met de aan de herziening van appellants uitkering verleende terugwerkende kracht. Naar het oordeel van de rechtbank kon het aan gedaagde niet redelijkerwijs duidelijk zijn dat zijn medische situatie destijds anders zou zijn ingeschat als hij zijn werkzaamheden direct had gemeld. De rechtbank heeft zich daarom niet kunnen verenigen met het besluit tot herziening van gedaagdes uitkering per 10 april 1997. Daaraan heeft de rechtbank tevens als haar oordeel gekoppeld dat de besluiten tot korting, terugvordering en boeteoplegging evenmin in stand kunnen blijven. Aldus heeft de rechtbank het beroep van gedaagde gegrond verklaard, de besluiten van 26 april 2002 en 13 augustus 2002 vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen op de bezwaren van gedaagde met inachtneming van hetgeen zij heeft overwogen. Tevens heeft de rechtbank aanvullend beslist over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellant houdt in hoger beroep staande terecht met terugwerkende kracht tot de onderhavige herziening van gedaagdes uitkering te zijn overgegaan. De rechtbank heeft naar het oordeel van appellant ten onrechte maatgevend geacht dat het gedaagde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn medische situatie anders zou zijn ingeschat indien hij zijn werkzaamheden direct had gemeld. Indien aan een belanghebbende (mede) als gevolg van het niet nakomen van een van de inlichtingenverplichtingen of een van de mededelingsverplichtingen geheel of gedeeltelijk ten onrechte uitkering is toegekend, dan wordt de beslissing tot toekenning herzien of ingetrokken met ingang van de datum waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien als belanghebbende wel tijdig en juist aan zijn mededelingsverplichting zou hebben voldaan. In een casus als de onderhavige, waarbij vaststaat dat de belanghebbende in een niet onaanzienlijke mate zwarte werkzaamheden heeft verricht, kunnen deze zwart verrichte werkzaamheden, aldus appellant, een grond vormen om met terugwerkende kracht tot afschatting op, samengevat weergegeven, theoretische verdienmogelijkheden over te gaan.

Mede onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting overweegt de Raad in de eerste plaats dat het in dit geding uitsluitend gaat om de door de rechtbank gewraakte herziening van gedaagdes uitkering met terugwerkende kracht ingaande 10 april 1997. De rechtbank heeft haar inhoudelijke oordeelsvorming ook daartoe beperkt en heeft, als hiervoor vermeld, de door haar daarnaast ook uitgesproken vernietiging van de overige onderdelen van appellants besluitvorming uitsluitend gegrond op haar oordeel over het herzieningsbesluit. Appellant heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat ook zijnerzijds geen afzonderlijke grieven bestaan met betrekking tot de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van de overige onderdelen - de korting, terugvordering en boeteoplegging - van zijn besluitvorming.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Ingevolge vaste rechtspraak brengt het rechtszekerheidsbeginsel met zich dat herziening of intrekking van een toegekende uitkering niet is toegestaan, tenzij de betrokken verzekerde heeft begrepen of redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat hij geen recht op die uitkering had. Dat is ook het uitgangspunt van de wetgever geweest bij de totstandkoming van artikel 36a van de WAO en van de met dat artikel vergelijkbare bepalingen van de andere arbeidsongeschiktheidswetten. Ook gedaagdes beleid, als voorheen neergelegd in de Besluiten herziening en intrekking van uitkeringen (Besluit van 19 februari 1997, Stcrt.1997, 59, per 1 januari 1998 vervangen door het besluit van 4 december 1997, Stcrt. 1997, 245) en thans neergelegd in het Besluit regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen van 18 april 2000, Stcrt. 2000, 89, voorziet erin, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, dat intrekking of herziening van uitkering slechts dan plaatsvindt met terugwerkende kracht indien het aan de betrokkene redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

Voor het geval appellant in het onderhavige geval reeds doorslaggevend heeft geacht het enkele gegeven dat gedaagde in gebreke is gebleven de door hem verrichte kluswerkzaamheden aan appellant te melden en aldus heeft gemeend dat daarnaast, als zijnde niet relevant, niet beoordeeld behoefde te worden of tevens kan worden gezegd dat gedaagde op grond van de door hem verrichte werkzaamheden heeft begrepen of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij geen recht kon doen gelden op zijn uitkering - zoals ook ter zitting ter sprake is gekomen lijkt het gestelde in het aanvullend beroepschrift in de richting te wijzen van een zodanige benadering - moet worden vastgesteld dat een dergelijke benadering zich niet verdraagt met de uit de rechtspraak en ook appellants eigen beleid voortvloeiende eisen, als hiervoor vermeld, om een uitzondering aan te kunnen nemen op de hoofdregel dat een uitkering niet met terugwerkende kracht kan worden herzien of ingetrokken.

Toetsend aan het hier aan te leggen criterium is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval de aan de herziening van appellants uitkering verleende terugwerkende kracht rechtens niet aanvaardbaar is te achten. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant blijkens het frauderapport in de aanmerking genomen periode van meer dan drie jaar ongeveer in totaal op 60 dagen werkzaamheden heeft verricht en daarmee in totaal ongeveer f 10.000, - heeft verdiend. Desgevraagd heeft appellant ter zitting aangegeven dat weliswaar niet uitgesloten is te achten dat gedaagde meer heeft gewerkt en verdiend maar dat, nu zulks niet op enigerlei wijze is aangetoond, bij het nemen van het bestreden besluit uitgangspunt is geweest dat appellant heeft gewerkt en verdiend in de in het frauderapport vermelde omvang.

De Raad acht dit uitgangspunt in navolging van de rechtbank juist en voegt daaraan toe dat, voor zover appellant bij het nemen van het bestreden besluit niettemin “in het achterhoofd heeft gehouden”, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting heeft geformuleerd, dat gedaagde mogelijk of zelfs waarschijnlijk toch meer heeft gewerkt dan 60 dagen en tegen een hogere beloning dan ongeveer f. 10.000, -, appellant daarin niet kan worden gevolgd nu de bij het ingestelde onderzoek aan het licht gekomen gegevens, naar ook expliciet van de zijde van appellant is erkend, voor een zodanige conclusie onvoldoende aanknopingspunten bieden.

Aldus ervan uitgaande dat gedaagde in het tijdvak van 10 april 1997 tot en met 31 december 2000 in totaal gedurende niet meer dan 60 dagen en tegen de hiervoor aangegeven verdiensten van ongeveer f 10.000 kluswerkzaamheden bij particulieren heeft verricht, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat op grond daarvan niet staande kan worden gehouden dat voor gedaagde duidelijk is geweest of redelijkerwijs had moeten zijn geweest dat hij in medisch opzicht over een beduidend grotere arbeidscapaciteit beschikte, en in verband daarmee in arbeidskundig opzicht over een beduidend ruimere verdiencapaciteit beschikte, dan laatstelijk bij de beoordeling in 1997 vanwege appellant was aangenomen. Gedaagdes arbeidsverrichting is voor een dergelijke vergaande conclusie wat betreft aard en omvang te onbetekenend geweest. De Raad volgt appellant niet in de kwalificatie dat gedaagde in een niet onaanzienlijke mate zwarte werkzaamheden heeft verricht.

Het bestreden besluit tot herziening van gedaagdes uitkering met ingang van 10 april 1997 kan op grond van het vorenoverwogene in rechte geen stand houden. De Raad merkt hierbij nog op dat hij uitdrukkelijk daar laat of appellant de beperkingen van gedaagde, zoals die bij zijn besluitvorming tot uitgangspunt zijn genomen, wel zorgvuldig en juist heeft vastgesteld. De Raad kan zich, gezien het gestelde in het rapport van appellants verzekeringsarts van 20 november 2000 alsmede in het rapport van appellants bezwaarverzekeringsarts van 11 september 2001, niet aan de indruk onttrekken dat de verzekeringsarts zich bij zijn - van zijn eerdere beoordeling uit 1997 aanzienlijk afwijkende - conclusie dat gedaagde beduidend minder beperkt is te achten dan in 1997 was aangenomen, in het bijzonder heeft laten leiden door het gegeven dat gedaagde kennelijk in staat is geweest tot het verrichten van bepaalde kluswerkzaamheden. Een inzichtelijke en overtuigende medische onderbouwing voor die conclusie heeft de Raad in beide rapporten niet aangetroffen.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322, - voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nader besluit op de bezwaren van gedaagde dient te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen en geoordeeld;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322, -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 414,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x