Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU8104
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. De rechtbank had toepassing moeten geven aan artikel 8:26 van de Awb en de werkgever in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4487 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 juli 2003, nr. Awb 02/00214 WAO V02, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift, met bijlage ingediend.

Bij brief van 27 juli 2005 heeft de griffier van de Raad aan de werkgever van appellante, het bestuur van het [naam College] te [vestigingsplaats], medegedeeld dat er hoger beroep is ingesteld en dat hij, gelet op artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan verzoeken om als partij aan het geding deel te nemen. De Raad heeft van de zijde van de werkgever geen reactie ontvangen.

Bij brief van 19 oktober 2005 is namens appellante nog een aanvulling op het hoger beroepschrift gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 november 2005 waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was voor zestien en een half uur per week werkzaam als medewerkster huishoudelijke dienst bij het [naam College] te [vestigingsplaats]. Zij is op 18 november 1998 uitgevallen met hartklachten. Tevens ontwikkelden zich astmatische klachten. Aan appellante is met ingang van 18 november 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In mei 2000 heeft appellante een hartoperatie ondergaan. Daarna is een periode van revalidatie gevolgd.

In november 2000 heeft een eerstejaars herbeoordeling plaatsgevonden. De verzekeringsarts H.U. Schleurholts heeft, blijkens zijn rapportage van 27 november 2000, geconcludeerd dat appellante blijvend ongeschikt is voor haar eigen functie, maar niet ongeschikt voor gangbare arbeid gedurende 4 tot 5 uur per dag, in energetisch licht werk in een ruimte zonder a-specifieke prikkels. Naar aanleiding van het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige M. de Weert aan de hand van het Functie Informatie Systeem (FIS) een zevental functies geselecteerd. Na vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellante geldende maatmaninkomen, heeft De Weert vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen 6,79% betreft, hetgeen neerkomt op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 0 tot 15%. Bij besluit van 27 december 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de WAO met ingang van 28 februari 2001 beëindigd, aangezien gedaagde appellante niet langer arbeidsongeschikt achtte.

Namens appellante is tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarprocedure is appellantes werkgever bij brief van 1 februari 2001 op de hoogte gesteld van het door gedaagde ontvangen bezwaarschrift en is hij in de gelegenheid gesteld betrokken te worden bij de bezwaarprocedure. De werkgever, die kennelijk van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, is op 15 februari 2001 telefonisch door medewerkers van gedaagde gehoord.

In zijn rapportage van 18 februari 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns gesteld dat de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen in het belastbaarheidspatroon grotendeels goed zijn verwoord. Ook latere bevindingen bij een onderzoek in het kader van een vervoersvoorziening, hebben Brouns evenwel aanleiding gegeven het belastbaarheidspatroon aan te scherpen, met name op de items 2. staan, 3. lopen en 4. traplopen. De bezwaararbeidsdeskundige F. Schrijer heeft vervolgens opnieuw het FIS geraadpleegd en heeft drie functies geselecteerd, te weten fb-code 5414 medewerkster schoonmaakdienst, fb-code 3396 medewerker invoer en fb-code 5429 consultatiebureau assistente. Na hernieuwde berekening van het verlies aan verdienvermogen is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%.

Aangezien de termijnen waren verstreken, waarbinnen gedaagde op grond van de Awb een beslissing had moeten nemen op appellantes bezwaarschrift, heeft de gemachtigde van appellante bij beroepschrift van 28 februari 2002, beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar.

Bij besluit van 22 maart 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante gegrond verklaard, het besluit van 27 december 2000 waarbij de WAO-uitkering is beëindigd, ingetrokken en vastgesteld dat appellante ook na 28 februari 2001 recht houdt op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, te effectueren met ingang van 14 mei 2002.

Bij brief van 24 april 2002 heeft de rechtbank meegedeeld dat zij het op 28 februari 2002 ingestelde beroep tevens beschouwt als te zijn gericht tegen het besluit van 22 maart 2002.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen de weigering van gedaagde tijdig een besluit te nemen op het namens appellante ingediende bezwaarschrift, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank achtte geen procesbelang meer aanwezig nu gedaagde alsnog een besluit op bezwaar heeft genomen. Wel zag de rechtbank aanleiding de gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht te vergoeden.
Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 maart 2002 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank achtte zowel het medisch als het arbeidsdeskundig onderzoek niet onzorgvuldig.

De Raad overweegt allereerst als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 februari 2002 en 17 mei 2002 gepubliceerd in USZ 2002, 102 en USZ 2002, 214, dient een werkgever als belanghebbende te worden aangemerkt bij een besluit met betrekking tot de aanspraken van één van zijn werknemers op een uitkering ingevolge de WAO. In de onderhavige zaak is sprake van een dergelijk besluit. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb kan de rechtbank een belanghebbende in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen. Nu de toepassing van artikel 8:26 Awb ziet op de toegang tot de rechter en derhalve een bepaling is van openbare orde, zal de Raad ambtshalve beoordelen of de rechtbank artikel 8:26 van de Awb op de juiste wijze heeft toegepast.

Gebleken is het volgende. De werkgever heeft, afgaande op de stukken, kennelijk gebruik gemaakt van de hem door gedaagde geboden gelegenheid als belanghebbende betrokken te worden bij de bezwaarprocedure. De werkgever is immers op 15 februari 2001 telefonisch gehoord door medewerkers van gedaagde en heeft zijn visie op de zaak kunnen geven. Uit de stukken blijkt vervolgens dat gedaagde bij brief van 22 maart 2002 de werkgever een afschrift heeft gezonden van het besluit op bezwaar van 22 maart 2002. Vervolgens is niet gebleken dat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb. Bij brief van 25 juli 2005 heeft de Raad de werkgever op de hoogte gesteld van het hoger beroep en hem alsnog in de gelegenheid gesteld zich in het geding te voegen. De werkgever heeft niet op deze brief gereageerd, zodat de Raad er van uit gaat dat de werkgever niet alsnog aan het geding wil deelnemen.

Gelet op de hiervoor omschreven gang van zaken, had het naar het oordeel van de Raad op de weg van de rechtbank gelegen toepassing te geven aan artikel 8:26 van de Awb en de werkgever in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. Nu dit niet is gebeurd kan de aangevallen uitspraak wegens strijd met dit artikel niet in stand blijven. In aanmerking nemend dat de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft zal de Raad de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit van 22 maart 2002 ongegrond is verklaard. Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Appellante stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat zij meer beperkingen heeft dan aangenomen is door de verzekeringsartsen. Zij acht zichzelf volledig arbeidsongeschikt. De door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies komen haars inziens niet overeen met het opgestelde belastbaarheidspatroon. Zij geven namelijk de indruk dat zij niet in een rustig tempo en energetisch beperkt kunnen worden uitgevoerd.

Met betrekking tot de medische grondslag van het besluit bevatten de in hoger beroep aangevoerde grieven geen nieuwe gezichtspunten. Zij kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank dat de medische beperkingen van appellante op juiste wijze zijn vastgesteld. Daarbij wijst de Raad op de omstandigheid dat de verzekeringsarts Schleurholts beschikte over alle relevante medische informatie, waaronder de informatie van appellantes cardioloog. Tevens heeft Schleurholts appellante onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts Brouns heeft bovendien mede op grond van de latere bevindingen het belastbaarheidspatroon aangescherpt. Appellante heeft de stelling dat zij volledig arbeidsongeschikt is niet verder onderbouwd met medische gegevens. De enkele mededeling van appellantes huisarts dat zij, gelet op haar conditie geen werkzaamheden laat staan passend werk zou kunnen verrichten is daartoe onvoldoende. Gelet hierop is appellante er naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij meer medisch beperkt is dan uit het opgestelde belastbaarheidspatroon blijkt.

Met betrekking tot de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies overweegt de Raad als volgt. Appellante meent dat uit de verwoording functiebelasting van de functie medewerkster schoonmaakdienst en de functie medewerker invoer niet blijkt dat deze functies in een rustig tempo verricht kunnen worden en aldus niet geschikt zijn. Zij baseert haar mening op het feit dat de verwoording van de functiebelasting bij de functie medewerker invoer onder item 28 vermeldt: “aanmerkelijke tijdsdruk (werk moet voor een bepaalde tijd af zijn), dwingend tempo (productienormen) en conflicterende functie-eisen (groot werkaanbod versus zorgvuldigheid)”. Bij de functie medewerker schoonmaakdienst vermeldt de verwoording functiebelasting onder item 28: “aanmerkelijke tijdsdruk (echter geen dwingend tempo)”.

Uit appellantes belastbaarheidspatroon blijkt echter dat de beperkingen die de verzekeringsartsen hebben aangenomen vallen onder de items 1 tot en met 15. Bij item 28, dat op de psychische belastbaarheid ziet, zijn geen beperkingen vastgesteld. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 1 oktober 2003 nadrukkelijk opgemerkt dat met de fors beperkte conditie van appellante in het belastbaarheidspatroon terdege rekening is gehouden. Veel van de fysiek beperkte mogelijkheden van appellante in de geselecteerde functies komen helemaal niet aan bod en is, er waar dat wel is, sprake van een ruime mate van zelfstandige regelmogelijkheden. Volgens de bezwaarverzekeringsarts betreffen de geselecteerde functies weinig belastende rustige functies, zeker waar het de fysieke belastende elementen van punt 1 tot en met 15 betreft. Gelet hierop en uitgaande van de juist vastgestelde belastbaarheid, bestaat er naar het oordeel van de Raad geen aanleiding er van uit te gaan dat de geselecteerde functies niet geschikt zouden zijn.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Dit brengt tevens mee dat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het hoger beroep is gericht tegen het bestreden besluit van 22 maart 2002;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 87,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x