Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU8114
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging van het recht op WAO-uitkering. Geschiktheid voor de voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/516 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is mr. M.H.J. van Geffen, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam op 15 december 2003 tussen partijen gegeven uitspraak, nummer 02/1429 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op 20 oktober 2005 heeft mr. Van Geffen een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 november 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Van Geffen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 1981 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 17 december 1998 heeft gedaagde voor zover hier van belang de uitkering met ingang van 9 december 1997 ingetrokken, onder de overweging dat appellant op 9 december 1997 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Namens appellant heeft mr. Van Geffen, voornoemd, tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden naar het Uwv. Bij besluit van 31 augustus 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het besluit van 17 december 1998 gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagde van onjuiste medische beperkingen bij appellant is uitgegaan. Zij heeft voorts vastgesteld dat de omschrijvingen van de geduide functies passen binnen het ten aanzien van appellant opgestelde belastbaarheidspatroon. Appellant was dan ook naar het oordeel van de rechtbank met ingang van 9 december 1997 in staat te achten de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.

In hoger beroep is namens appellant - onder verwijzing ter zitting naar een rapport van 12 oktober 2005 van de arts dr. L.J. Haak - aangevoerd dat het door gedaagde verrichte medisch onderzoek onvolledig is nu geen aandacht is besteed aan een aantal klachten, waaronder angstklachten en dat de door gedaagde getrokken conclusies met betrekking tot de hoofdpijn- hart- en psychische klachten onjuist zijn. Voorts is aangevoerd dat de overschrijdingen van appellants belastbaarheid, die in de aan hem voorgehouden functies voorkomen, onvoldoende zijn gemotiveerd.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in haar rapport van 26 februari 2002, nader aangevuld op 31 mei 2001 en op 2 augustus 2001, geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellant, zoals in de primaire fase van de in geding zijnde besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts R.W. van Hes, geen juiste weergave vormt van de bij hem ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt voorts dat Koek blijkens haar rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellant kennis droeg van de rapportage die de cardioloog T.B. Tan op 3 januari 2001 heeft uitgebracht en de rapportage die de psychiater M. Stek op 15 januari 2001 heeft uitgebracht.

Het namens appellant in hoger beroep overgelegde rapport van 12 oktober 2005 van L.J. Haak, arts en medisch adviseur heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door gedaagde aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Weliswaar komen in de functies relevante markeringen voor bij enkele onderdelen, maar de arbeidsdeskundige A. van Ockenburg heeft de markeringen met de verzekeringsarts besproken. De bezwaararbeidsdeskundige T.L.M. van der Hulst heeft in zijn rapportage van 17 juli 2001 uitvoerig gemotiveerd waarom er op die onderdelen geen sprake is van overschrijdingen van appellants belastbaarheid. Tevens heeft bezwaararbeidsdeskundige R.F. Meere op 30 januari 2002 naar aanleiding van het beroep bij de rechtbank nogmaals de overschrijdingen besproken.

De uiteindelijk aan appellant voorgehouden functies kunnen naar het oordeel van de Raad, gelet op met name de evengenoemde rapporten van 17 juli 2001 en 30 januari 2002, als passend worden aangemerkt. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Gedaagde heeft derhalve terecht de WAO-uitkering beŽindigd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x