Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO / WAZ
x
LJN:
x
AU8539
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-betaling van de WAZ-uitkering in verband met inkomsten (jaarwinst). Terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4366 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 juli 2003, nummer Awb 02-1747 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 november 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer [persoon] en door mr. M.E.M. Vermeij, kantoorgenoot van mr. Brink, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. S.J.M.A. Cler, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was laatstelijk gedurende 48 uur per week werkzaam als zelfstandig onderneemster in een eigen assurantiekantoor. Daarnaast werkte zij 13 uur per week in loondienst als nachthoofd. Zij is op 12 oktober 1999 wegens ziekte voor deze werkzaamheden uitgevallen. Na afloop van de voor haar geldende wachttijd heeft gedaagdes rechtsvoorganger aan haar met ingang van 30 september 2000 een volledige uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

Appellante heeft haar onderneming voortgezet, maar heeft daarin veel minder werkzaamheden kunnen verrichten dan voorheen. De werkzaamheden in loondienst heeft zij niet meer hervat.

Bij besluit van 4 januari 2002 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat haar uitkeringen ingevolge de WAO en de WAZ over de periode 30 september 2000 tot 1 januari 2001 niet worden betaald omdat zij op basis van haar inkomsten voor minder dan 15%, respectievelijk 25%, arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Hierbij is toepassing gegeven aan de artikelen 44 van de WAO en 58 van de WAZ.

Bij besluit van 18 maart 2002 heeft gedaagde de onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering over die periode ten bedrage van 7.122,70 van appellante teruggevorderd.

Namens appellante is tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren gegrond verklaard en het primaire besluit van 4 januari 2002 herroepen in die zin dat de WAO-uitkering over de periode 30 september 2000 tot 1 januari 2001 zal worden betaald als ware appellante ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Gedaagde heeft het besluit van 18 maart 2002 ingetrokken en bepaald dat een nieuw primair besluit wordt genomen waarbij rekening zal worden gehouden met hetgeen in het bestreden besluit is overwogen.
Op 5 december 2002 heeft gedaagde een nieuw primair besluit inzake de terugvordering genomen, waarbij het bedrag is vastgesteld op 5.935,94.

Appellante had inmiddels beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het besluit van 5 december 2002 in haar beoordeling betrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het beroep voorzover dat was gericht tegen het besluit van 5 december 2002 is gegrond verklaard en dit besluit is vernietigd omdat daaraan geen deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd.

Het namens appellante ingestelde hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.

Bij het vaststellen van de inkomsten van appellante is gedaagde uitgegaan van de jaarwinst in 2000. Namens appellante is aangevoerd dat de jaarwinst sterk is benvloed door de provisie uit twee omvangrijke eenmalige polissen. De hieraan ten grondslag liggende werkzaamheden zijn niet door appellante verricht maar door een verzekeringsinspecteur. Bovendien zijn die werkzaamheden ruim voor de ingangsdatum van de WAO/WAZ-uitkering verricht. Volgens appellante zouden de inkomsten uit rechten die reeds zijn gevestigd voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing moeten blijven, aangezien die inkomsten voortvloeien uit vermogen en hieraan geen directe arbeidsprestatie ten grondslag ligt. In elk geval zou er een splitsing moeten worden aangebracht tussen de winst in de eerste drie kwartalen van 2000 en het vierde kwartaal van 2000. In het vierde kwartaal is er sprake geweest van een forse daling van de winst die ook in de jaren daarna is voortgezet en derhalve een juister beeld geeft van de (geringe) inkomsten die appellante nog uit haar onderneming kan verwerven. De daling van de winst werd veroorzaakt doordat appellante in dat kwartaal iemand in dienst heeft moeten nemen omdat zij zelf vanwege haar arbeidsongeschiktheid nauwelijks meer in staat was om werkzaamheden in haar onderneming te verrichten.

De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin appellante wordt aangeduid als eiseres en gedaagde als verweerder, het volgende overwogen.

"De grief van eiseres dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het hele boekjaar kan niet slagen. Gelet op bedrijfsinherente fluctuaties in bedrijfsresultaten van een onderneming is het uitgangspunt dat de inkomsten over het hele boekjaar worden genomen geen onredelijke maatstaf. Juist de omstandigheid dat de ondernemingswinst in het geval van eiseres gelet op de aard van haar onderneming essentieel kan worden benvloed door incidentele provisie-inkomsten is een argument voor berekening van de verdiencapaciteit van eiseres op grond van de inkomsten over het hele boekjaar, omdat hiermee een reler beeld van de bedrijfsresultaten wordt gegeven. De rechtbank ziet in de onderhavige beroepszaak geen reden om af te wijken van voornoemde hoofdregel.

Evenmin kan de grief van eiseres dat de provisie-inkomsten uit de in het verleden afgesloten polissen buiten beschouwing moeten blijven, niet slagen. De rechtbank is van oordeel dat de kortingsartikelen ook kunnen worden toegepast indien de inkomsten (gedeeltelijk) betrekking hebben op in het verleden verrichte arbeid. De rechtbank acht dat in dit geval aanvaardbaar omdat de aard van de onderneming meebrengt dat de beloning niet altijd afhankelijk is van een directe arbeidsprestatie. De inkomsten van eiseres houden met name verband met het afsluiten van polissen en de bemiddeling terzake in het verleden.

Hoewel eiseres heeft betoogd dat zij twee polissen waarvan zij de provisie-inkomsten in 2000 heeft ontvangen, niet zelf heeft afgesloten, heeft verweerder deze inkomsten terecht meegenomen in de berekening. Vast staat immers dat eiseres de beloning heeft ontvangen voor de - zij het geringe - bemiddelende bijdrage die eiseres in het kader van haar bedrijfsvoering heeft geleverd aan het afsluiten van de polissen."

De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank. Ook de Raad is van oordeel dat de provisie uit de verzekeringspolissen niet als inkomen uit vermogen maar als inkomen uit arbeid moet worden aangemerkt. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld s Raads uitspraak van 22 oktober 2004, LJN AR4984, gepubliceerd in USZ 2004, 358 staat voorop dat inkomsten uit arbeid als zelfstandige, als resultante van opbrengsten en kosten, op jaarbasis worden vastgesteld. In dit geval acht de Raad van belang dat appellante, ook nadat zij recht had gekregen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, de onderneming heeft voortgezet en daarin de nodige ondernemersbeslissingen heeft genomen. De toevallige omstandigheid dat de provisie die voortvloeit uit de twee eerder afgesloten omvangrijke polissen is uitbetaald vr de ingangsdatum van de WAO- en WAZ-uitkeringen, is naar het oordeel van de Raad geen bijzondere omstandigheid die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigt.

Namens appellante is een beroep gedaan op een uitspraak van de Raad van 19 maart 1991, LJN ZB1645, gepubliceerd in RSV 1991, 209, waarbij het ging om een pianist, tevens componist, die inkomsten uit auteursrechten ontving, welke rechten waren ontstaan voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid. De Raad heeft in die uitspraak bepaald dat die inkomsten niet op de uitkering in mindering mochten worden gebracht. Volgens appellante zou dit een vergelijkbare situatie betreffen, maar de Raad wijst er op dat het daar ging om inkomsten uit niet-verzekeringsplichtige arbeid. Bij de inkomsten uit de verzekeringspolissen gaat het daarentegen om wel verzekerde arbeid. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 13 oktober 2004, LJN AR4896, gepubliceerd in USZ 2004, 356, waarin de Raad in een situatie waarbij het ging om royalty's en andere rechten in verband met muziekproducties uit vroegere periodes, heeft overwogen dat deze in aanmerking mogen worden genomen bij het vaststellen van de korting op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarbij is opgemerkt dat het in een onderneming niet ongebruikelijk is dat winst wordt behaald met producten en rechten die in eerdere jaren tot stand zijn gekomen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat moet worden beslist als in rubriek III wordt aangegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x