Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU8869
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van de vastgestelde verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/5299 WAO, 04/5648 WAO en 05/1135 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

1. [naam NV]
2. [naam BV], beiden gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagden.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Bij besluit van 25 april 2002 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde 1 tegen het aan [naam] [vestigingsplaats] BV gerichte besluit van 26 november 2001, waarbij de door haar verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2002 is vastgesteld op 5,76%.

Bij besluit van eveneens 25 april 2002 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde 2 tegen evenvermeld besluit van 26 november 2001.

Bij besluit van 23 januari 2003 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde 2 tegen het besluit van 25 november 2002, waarbij de door haar verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO voor het premiejaar 2003 is vastgesteld op 5,02%.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraken van 10 september 2004, registratienummers 02/2238 en 02/2240, de beroepen van gedaagden tegen de besluiten van 25 april 2002 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, bepaald dat appellant met in achtneming van hetgeen in deze uitspraken is overwogen nieuwe beslissingen dient te nemen op de bezwaarschriften van gedaagden en bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het door gedaagden betaalde griffierecht vergoedt.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 17 januari 2005, registratienummer 03/468 en ten name van gedaagde 1, in gelijke zin als bij haar uitspraken van 10 september 2004 beslist met betrekking tot het bij haar ingestelde beroep tegen het besluit van 23 januari 2003.

Appellant is op bij aanvullende beroepschriften van 27 oktober 2004, 17 november 2004 en 23 maart 2005 aangevoerde gronden van die uitspraken bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagden hebben verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 september 2005, waar voor appellant is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv, en waar voor gedaagden is verschenen hun directeur [directeur].




II. MOTIVERING


De Raad overweegt allereerst dat de rechtbank haar uitspraak van 17 januari 2005 op naam heeft gesteld van gedaagde 1, terwijl gedaagde 2 bij haar beroep had ingesteld tegen het aan haar gerichte besluit van 23 januari 2003. De Raad beschouwt deze tenaamstelling als een kennelijke misslag van de rechtbank en verstaat deze uitspraak dan ook als een tussen appellant en gedaagde 2 gewezen uitspraak.

De Raad overweegt voorts dat, naar de gemachtigde van appellant ter zitting heeft erkend, met het bij de in rubriek I vermelde besluiten van 25 april 2002 gehandhaafde premiebesluit van 26 november 2001 uitsluitend is beoogd een betalingsverplichting in het leven te roepen voor gedaagde 2, een dochtervennootschap van gedaagde 1. Aangezien gedaagde 1 niet kan worden aangemerkt als zijnde belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het besluit van 26 november 2001 had appellant gedaagde 1 in haar bezwaren tegen dit besluit niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Raad zal onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in deze zaak voorzien.

Aan de bij de besluiten van 26 november 2001 en 23 januari 2003, voorzover gericht aan gedaagde 2, gehandhaafde premiebesluiten met betrekking tot de jaren 2002 en 2003 ligt ten grondslag de in de jaren 2000 en 2001 aan een ex-werknemer van gedaagde 2 uitbetaalde uitkering krachtens de WAO. Deze ex-werknemer is op maandag 25 januari 1999 bij gedaagde 2 in dienst getreden en heeft zich op donderdag 28 januari 1999 ziek gemeld. Aan deze werknemer is bij besluit van 13 maart 2000 ingaande 27 januari 2000 een WAO-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. De tegen dit besluit van de zijde van gedaagde 2 ingediende bezwaren zijn bij besluit van 21 juni 2001 door appellant niet-ontvankelijk verklaard.

Gedaagde 2 heeft tegen de besluiten van 25 april 2002 en 23 januari 2003 in beroep aangevoerd dat, gelet op de achtergrond van de ziekmelding, het waarschijnlijk moet worden geacht dat haar ex-werknemer al arbeidsongeschikt was op het moment dat hij bij haar in dienst trad.

De rechtbank heeft bij haar uitspraken hieromtrent overwogen dat de stelling van gedaagde 2 dat bij de premieberekening de aan haar ex-werknemer betaalde WAO-uitkering mede in aanmerking is genomen terwijl hij niet reeds op de feitelijke eerste arbeidsongeschiktheidsdag in dienstbetrekking tot haar stond, naar haar oordeel niet ziet op de toekenning van de WAO-uitkering, zodat artikel 87e van de WAO niet van toepassing is. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank overwogen dat, indien een werkgever zich in een procedure met betrekking tot een premiebesluit erop beroept dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering reeds bestond ten tijde van de indiensttreding, appellant daarnaar onderzoek dient te doen en gemotiveerd op een dergelijke grief dient in te gaan. Nu zulks niet is geschied, heeft de rechtbank de besluiten niet in stand gelaten wegens onzorgvuldige voorbereiding en wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.

Appellant kan zich hiermee niet verenigen en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

“Op grond van artikel 87e van de WAO kan het bezwaar van een werkgever tegen de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie niet zijn gegrond op de grief dat de WAO-uitkeringen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.
De vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vormt naar ons oordeel een zodanig essentieel onderdeel van de WAO-beslissing, dat artikel 87e WAO zich ertegen verzet dat grieven tegen deze vaststelling eerst bij het premiedifferentiatiebesluit WAO dienen te worden besproken. Zou de eerste arbeidsongeschiktheidsdag zowel ter discussie kunnen worden gesteld bij het aanvechten van het WAO-toekenningsbesluit als bij het premiedifferentiatiebesluit WAO, dan zou dat betekenen dat een werkgever twee gelegenheden heeft om de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag te betwisten. Wij achten dit niet alleen in strijd met de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht maar zijn van mening dat dit ook om proceseconomische redenen niet is te verkiezen. Immers op deze wijze zou een werkgever twee gelegenheden hebben om de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag te betwisten. Wij voelen ons gesteund in onze mening door de uitspraak van uw Raad van 4 december 2003, gepubliceerd in USZ 2004/23. In deze uitspraak heeft u overwogen dat grieven met betrekking tot een toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts kunnen slagen in een procedure over de uitkering (en niet in een procedure betreffende de gedifferentieerde premie). Voorts heeft u overwogen dat de door de betreffende werkgever ingenomen stelling er niet toe kan leiden dat in weerwil van artikel 87e van de WAO in een geschil met betrekking tot de gedifferentieerde premie (toch) de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ter discussie kan worden gesteld.”

De Raad verenigt zich met dit betoog. Appellant heeft er terecht op gewezen dat in ’s Raads jurisprudentie ligt besloten dat in een geschil met betrekking tot premiebesluiten als de onderwerpelijke in verband met het bepaalde in artikel 87e van de WAO niet de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ter discussie kan staan. Dat de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag mede bepalend is voor het antwoord op de vraag of de betrokken werknemer op die dag wel in dienstbetrekking stond tot de werkgever die als gevolg van een aan die werknemer toegekende uitkering krachtens de WAO wordt geconfronteerd met een opslag als bedoeld in artikel 4 van het Besluit premiedifferentiatie WAO, maakt dit niet anders. Indien in de procedure omtrent de toekenning van uitkering blijkt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist is vastgesteld, is daarmee gegeven dat er sprake is van een onjuist toegekende uitkering in de zin van artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO en dient zulks te leiden tot premievermindering als voorzien in dit artikel.

Met betrekking tot de eerst ter zitting van de Raad door gedaagde 2 betrokken stelling dat haar ex-werknemer ten tijde van zijn ziekmelding ook tot een andere werkgever in dienstbetrekking stond, merkt de Raad op dat deze stelling niet met bewijzen is gestaafd.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu van voor vergoeding in aanmerking komende de kosten niet is gebleken.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart het beroep van gedaagde 1 tegen het besluit van 25 april 2002 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart gedaagde 1 niet-ontvankelijk in haar bezwaren tegen het besluit van 26 november 2001;
Verklaart de beroepen van gedaagde 2 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x