Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU8870
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van de vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/5454 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 20 juni 2002 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 26 november 2001, waarbij de door gedaagde verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2002 is vastgesteld op 7,61%.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 16 augustus 2004, registratienummers 02/3234 en 03/536, onder meer het beroep van gedaagde tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van gedaagde dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 26 oktober 2004 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. E.A.M. Ammerlaan, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, een verweerschrift, gedateerd 24 november 2004, ingediend.

Hierop heeft appellant bij brief van 9 december 2004 gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 september 2005, waar voor appellant is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Aan de vaststelling van de door gedaagde verschuldigde gedifferentieerde premie voor het jaar 2002 ligt onder meer ten grondslag de aan een ex-werknemer van gedaagde die op 10 maart 1999 als chauffeur bij haar in dienst is getreden op basis van een arbeidsovereenkomst tot 9 september 1999, bij besluit van 26 april 2000 met ingang van 17 april 2000 toegekende uitkering krachtens de WAO. Aangezien gedaagde eerst bij het premiebesluit van 26 november 2000 op de hoogte kwam van voormeld besluit van 26 april 2000, heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen het premiebesluit tevens gericht geacht tegen het besluit van 26 april 2000. Bij besluit van 20 december 2000 heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 26 april 2000 ongegrond verklaard.

Bij de in rubriek I vermelde uitspraak van de rechtbank is ook het besluit van appellant van 20 december 2000 vernietigd en wel op de grond dat appellant onvoldoende heeft onderzocht of de ex-werknemer van gedaagde reeds arbeidsongeschikt was bij aanvang van de dienstbetrekking .

Het besluit tot ongegrondverklaring van de bezwaren van gedaagde tegen het premiebesluit van 26 november 2001 heeft de rechtbank als uitvloeisel van haar oordeel omtrent de toekenning van de uitkering vernietigd op de grond dat daaraan een juiste motivering is komen te ontvallen ter zake van het antwoord op de vraag of de ex-werknemer ten tijde van zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag wel in dienstbetrekking stond tot gedaagde. Naar het oordeel van de rechtbank ziet dit oordeel niet op de toekenning van de WAO-uitkering, zodat artikel 87e van de WAO niet van toepassing is.

Appellant heeft berust in de beslissing van de rechtbank met betrekking tot zijn besluit van 20 december 2000. Appellant kan zich evenwel niet verenigen met het oordeel van de rechtbank met betrekking tot zijn besluit van 26 november 2000. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd:

“Op grond van artikel 87e van de WAO kan het bezwaar van een werkgever tegen de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie niet zijn gegrond op de grief dat de WAO-uitkeringen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.
De vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vormt naar ons oordeel een zodanig essentieel onderdeel van de WAO-beslissing, dat artikel 87e van de WAO zich ertegen verzet dat grieven tegen deze vaststelling eerst bij het premiedifferentiatiebesluit WAO dienen te worden besproken. Zou de eerste arbeidsongeschiktheidsdag zowel ter discussie kunnen worden gesteld bij het aanvechten van het WAO-toekenningsbesluit als bij het premiedifferentiatiebesluit WAO, dan zou dat betekenen dat een werkgever twee gelegenheden heeft om de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag te betwisten. Wij achten dit niet alleen in strijd met de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht maar zijn van mening dat dit ook om proceseconomische redenen niet is te verkiezen. Immers op deze wijze zou een werkgever twee gelegenheden hebben om de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag te betwisten. Wij voelen ons gesteund in onze mening door de uitspraak van uw Raad van 4 december 2003, gepubliceerd in USZ 2004/23. In deze uitspraak heeft u overwogen dat grieven met betrekking tot een toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts kunnen slagen in een procedure over de uitkering (en niet in een procedure betreffende de gedifferentieerde premie). Voorts heeft u overwogen dat de door de betreffende werkgever ingenomen stelling er niet toe kan leiden dat in weerwil van artikel 87e van de WAO in een geschil met betrekking tot de gedifferentieerde premie (toch) de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ter discussie kan worden gesteld.”

De Raad verenigt zich met dit betoog. Appellant heeft er terecht op gewezen dat in ’s Raads jurisprudentie ligt besloten dat in een geschil met betrekking tot een premiebesluit als het onderwerpelijke in verband met het bepaalde in artikel 87e van de WAO niet de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ter discussie kan staan. Dat de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag mede bepalend is voor het antwoord op de vraag of de betrokken werknemer op die dag wel in dienstbetrekking stond tot de werkgever, die als gevolg van een aan die werknemer toegekende uitkering krachtens de WAO wordt geconfronteerd met een opslag als bedoeld in artikel 4 van het Besluit premiedifferentiatie WAO, maakt dit niet anders. Indien in de procedure omtrent de toekenning van uitkering blijkt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist is vastgesteld, is daarmee gegeven dat er sprake is van een onjuist toegekende uitkering in de zin van artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO en dient zulks te leiden tot premievermindering als voorzien in dit artikel.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden vernietigd.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbende op het besluit van 20 juni 2002;
Verklaart het beroep tegen dat besluit ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x