Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU8987
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting met behulp van het CBBS. Motivering. Rechtsgevolgen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4386 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 5 november 2002 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 18 oktober 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. A.C. J. Lina, advocaat te Venlo, namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 21 januari 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank Roermond heeft het door de gemachtigde van appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 21 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 16 juli 2003, 03/184 WAO Kl, ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft van verweer gediend en heeft bij brief van 11 november 2003 stukken inzake de ziekmelding van appellant op 23 november 2002 ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft op 3 december 2003 nadere stukken ingediend.

Gedaagde heeft bij brief van 17 februari 2005 een nadere toelichting op het bestreden besluit verstrekt en deze andermaal op 14 april 2005 ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 21 juni 2005, waar partijen - met kennisgeving - niet zijn verschenen.
Na het sluiten van het onderzoek is de Raad gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad gedaagde nadere stukken gevraagd, welke gedaagde bij brief van 6 September 2005 heeft ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 november 2005. Appellant is daar niet verschenen, terwijl gedaagde was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs.




II. MOTIVERING


Appellant was werkzaam als productiemedewerker toen hij op 17 oktober 2001 uitviel met psychische klachten. De verzekeringsarts B. van Bavel heeft blijkens zijn rapport van 9 oktober 2002 bij zijn onderzoek van appellant op 8 oktober 2002 geen aanwijzingen voor lichamelijke afwijkingen gevonden. Nadien ontving Van Bavel eerder gevraagde informatie van de huisarts van 3 oktober 2002. De huisarts vermeldde dat appellant sedert zijn echtscheiding frequent het spreekuur bezocht met vage been-, rug-, nek- en maagklachten, dat hij appellant vanwege een depressief beeld in december 2001 heeft verwezen naar de Mutsaersstichting, alwaar hij blijkens een brief van die stichting van 17 mei 2002 opgenomen is geweest van 28 januari tot 21 april 2002. Volgens zijn behandelaar was appellant meer tot rust gekomen en was zijn stemming verbeterd. Op basis van deze informatie en zijn eigen onderzoek achtte Van Bavel blijkens zijn rapport van 17 oktober 2002 appellant verminderd belastbaar ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren met beperkingen voor deadlines, productiepieken. samenwerken met collega's en leidinggevende taken. Een en ander vond uitwerking in de rubrieken 1 en 2 van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 oktober 2002. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 24 oktober 2002 selecteerde de arbeidsdeskundige P. Hupperetz blijkens zijn rapport van 31 oktober 2002 een aantal functies en berekende hij, uitgaande van het uurloon in de middelste van de drie hoogst verlonende functies, het verlies aan verdiencapaciteit op 7,61%. Vervolgens nam gedaagde het primaire besluit van 5 november 2002.

In de bezwaarprocedure, waarin namens appellant is gesteld dat hij in verband met diverse klachten niet in staat was om passende werkzaamheden te verrichten, heeft de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen na kennisneming van de beschikbare medische gegevens
het verzekeringsgeneeskundig oordeel van Van Bavel onderschreven. Vervolgens handhaafde gedaagde bij het bestreden besluit zijn primaire besluit.
In beroep heeft de gemachtigde van appellant crop gewezen dat appellant inmiddels onder behandeling van een neurochirurg is gekomen voor zijn nek- en rugklachten en dat appellant zich op 25 (lees: 23) november 2002 bij gedaagde ziek had gemeld.

De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en heeft wat betreft de medische grondslag overwogen dat een medische onderbouwing voor de door appellant in beroep gestelde nek- en rugwervelklachten ontbrak.

In het hoger beroepschrift heeft de gemachtigde van appellant de in eerste aanleg aangevoerde gronden in essentie herhaald. Vervolgens hebben achtereenvolgens gedaagde en de gemachtigde van appellant een aantal stukken in geding gebracht met betrekking tot de ziekmelding van appellant op 23 november 2002 wegens nekklachten, waaronder een rapport betreffende verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 1 oktober 2003, waarin sprake is van een operatic op 19 maart 2003 in verband met een nekhernia, alsmede het besluit van 28 november 2003, houdende toekenning aan appellant van een WAO-uitkering met ingang van 22 november 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Na heropening van het onderzoek heeft gedaagde desgevraagd bij brief van 6 September 2005 nadere informatie ingebracht omtrent met name het ontstaan en het beloop van de nekklachten van appellant, waaronder een aantal brieven van de neurochrirurg drs. H. van Santbrink. Uit deze brieven blijkt dat appellant na een val in november 2002 last heeft gekregen van paresthesieën en doofheid in beide handen en krachtsverlies in de rechterarm, dat bij MRI-onderzoek in februari 2003 het beeld van een mediane HNP C5-6 was vastgesteld en dat appellant op 19 maart 2003 daaraan is geopereerd.

De Raad overweegt dat na kennisneming van de uiteindelijk in hoger beroep beschikbaar gekomen medische informatie omtrent de oorzaak van de ziekmelding van appellant op 23 november 2002 het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden onderschreven. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat er voldoende concrete en objectieve gegevens zijn voor de stelling dat de gezondheidstoestand van appellant eind november 2002 duidelijk is gewijzigd en dat ten tijde in geding terecht geen beperkingen zijn aangenomen vanwege nekklachten. Naast de hiervoor vermelde door Van Santbrink verstrekte informatie, wijst de Raad daartoe op de informatie van de huisarts, waaruit onder andere bleek dat bij neurologisch onderzoek in september 2002 geen verklaring was gevonden voor de lichamelijke klachten van appellant, en op het feit dat de huisarts en Van Bavel bij hun onderzoek geen klinische verschijnselen van een nekhernia hebben beschreven.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat eerst met de brieven van gedaagde van 17 februari en 14 april 2005 een toelichting door gedaagde is verstrekt op de passendheid van de geduide functies door overlegging van het rapport van Hupperetz van 9 februari 2005, waarin is ingegaan op de zogeheten matchende punten in de FML en de geduide functies, en ten aanzien van de niet-matchende punten in de FML is aangegeven dat er geen overschrijdingen zijn. De Raad heeft geen aanleiding aangezien gezien deze toelichting op zichzelf voor onjuist te houden.

Voor wat betreft de toepassing in dit geval van de gewijzigde schattingsmethodiek, met behulp van het zogenaamde claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS), verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722. In bovenvermelde uitspraken heeft de Raad als een van de onvolkomenheden van het CBBS aangegeven dat het systeem, anders dan het geval was bij het FIS, er niet meer in voorziet dat zogeheten markeringen, dat wil zeggen signaleringen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meer onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of op die punten, in het dossier terechtkomen. Aan de arbeidsdeskundige worden dergelijke markeringen door het systeem nog wel op het scherm gepresenteerd, maar ze komen vervolgens niet terug in de geprinte versies van de CBBS-formulieren. Ook als gevolg hiervan laat het zich - in elk geval als het gaat om voor 1 juli 2005 al dan niet na een bezwaarprocedure tot stand gekomen schattingen - door anderen dan functionarissen van het Uwv niet op relatief eenvoudige wijze controleren of terecht het standpunt is ingenomen dat de totale belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een betrokkene blijft.

Op grond van het vorenstaande, bezien in het licht van de in meergenoemde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 neergelegde hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, is de Raad van oordeel dat de onderhavige schatting een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeert.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op 's-Raads standpunt met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,= voor verleende rechtsbij stand in hoger beroep, in totaal € 966,=.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger
beroep tot een bedrag groot € 966,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,= vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.MJ. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x