Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU9331
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Onzorgvuldige voorbereiding. Afwijzing verzoek om uitstel van de hoorzitting in verband met vakantie. De oproepingstermijn voor de hoorzitting is onredelijk kort. Proceseconomie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3906 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 10 december 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat hij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 2 oktober 2000, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 mei 2002 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 25 juni 2003, nummer AWB 02/442 WAO HOB, het beroep tegen het besluit van 10 mei 2002 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Voorts is gedaagde daarbij veroordeeld tot het vergoeden van het door appellant betaalde griffierecht en de door hem gemaakte proceskosten.

Namens appellant is mr. Van Asperen, voornoemd, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde enkele in het dossier ontbrekende stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2005, waar - zoals tevoren was bericht - voor appellant niemand is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen W.R. Bos, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Namens appellant is in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Gedaagde heeft in het kader van de bezwaarschriftprocedure op 23 april 2002 een uitnodiging voor een hoorzitting op 2 mei 2002 toegezonden.
Mr. Van Asperen, voornoemd, heeft verzocht om de hoorzitting uit te stellen in verband met vakantie en een te korte voorbereidingstijd. Gedaagde heeft dit verzoek afgewezen.
Volgens mr. Van Asperen is de termijn tussen de datum van de uitnodiging en de datum van de hoorzitting, mede gelet op het bepaalde in artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onredelijk kort en is zijn verzoek om uitstel ten onrechte afgewezen. Appellant is naar zijn mening hierdoor benadeeld omdat er geen gelegenheid is geweest zijn standpunt nader toe te lichten en eventueel nadere stukken in te dienen.

De rechtbank heeft bij haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd op grond van de hiernavolgende overwegingen:

"Krachtens het bepaalde in artikel 7:2, eerste lid, Awb dient verweerder alvorens op een bezwaarschrift te beslissen de belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Hiervan kan blijkens artikel 7:3 Awb slechts worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is, indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord dan wel indien daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb moet het horen als een essentieel onderdeel van de bezwarenprocedure worden beschouwd. Het horen van een belanghebbende is van groot belang voor een deugdelijke afhandeling van het bezwaar, zodat daar slechts bij uitzondering van mag worden afgezien. Dit brengt met zich dat een verzoek om uitstel onder omstandigheden aan de belanghebbende kan worden verleend. Een dergelijk verzoek dient zorgvuldig te worden afgewogen. Eiser heeft in zijn verzoek om uitstel onder meer aangegeven dat hij het verzoek indient vanwege de korte voorbereidingstijd.

In artikel 7:2 Awb is niet bepaald welke termijn gelegen moet zijn tussen oproeping en hoorzitting. Het spreekt evenwel voor zich dat die termijn in elk geval van een zodanige duur dient te zijn dat een belanghebbende in staat wordt gesteld zich daarop behoorlijk te kunnen voorbereiden en ook dat hij of zijn gemachtigde persoonlijk bij het horen aanwezig kan zijn. Daarbij geldt, gelet op het bepaalde in artikel 7:4 Awb, dat de minimale termijn tussen oproeping en horen in ieder geval meer dan tien dagen bedraagt. Ter zitting is namens verweerder naar voren gebracht dat verweerder het beleid hanteert zoals dat in artikel 14 van het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 2000 is neergelegd. Krachtens die bepaling wordt in beginsel een minimale termijn van veertien dagen gehanteerd.

Nu eiser binnen een termijn van tien dagen is opgeroepen en zich geen van de voorziene uitzonderingsgevallen als bedoeld in artikel 7:3 Awb hebben voorgedaan kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat de door verweerder gevolgde procedure in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 7:2 Awb en artikel 14 van voornoemd Reglement.

Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen dat verweerder bij het nemen van het hier aan de orde zijnde besluit een zekere beoordelingsvrijheid heeft ziet de rechtbank geen aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 Awb voorbij te gaan aan de schending van artikel 7:2 Awb."

De rechtbank heeft evenwel op grond van proceseconomische redenen aanleiding gezien om met toepassing van het derde lid van artikel 8:72 van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt uiteen te zetten en nadere stukken in te dienen. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de hem door de rechtbank geboden gelegenheid om zijn grieven ten aanzien van de weigering van de WAO-uitkering nader te motiveren. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat appellant op de in geding zijnde datum niet meer of anders medisch beperkt is te achten dan gedaagde heeft vastgesteld en dat hij met die beperkingen in staat moet worden geacht om zijn eigen werk als afwashulp, dan wel een aantal door de arbeidsdeskundige voor hem geselecteerde functies, te verrichten.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat gedaagde bij de uitnodiging voor de hoorzitting een te korte termijn in acht heeft genomen. In de Awb is hiervoor weliswaar geen termijn genoemd, maar uit het bepaalde in artikel 7:4, eerste lid van de Awb, waarin is geregeld dat belanghebbenden tot tien dagen voor het horen nadere stukken kunnen indienen, volgt dat deze termijn in elk geval langer dan tien dagen moet zijn. De uitnodiging voor de hoorzitting van 2 mei 2002 is eerst verzonden op 23 april 2002. Duidelijk is dat de hiervoor genoemde termijn niet in acht is genomen. Overigens heeft gedaagde ook niet gehandeld in overeenstemming met zijn eigen beleid, dat inhoudt dat voor de uitnodiging voor een hoorzitting een termijn van 14 dagen wordt aangehouden, welk beleid naar ís Raads oordeel op zichzelf een rechtens aanvaardbare invulling inhoudt van de grenzen die door de wet zijn getrokken.

Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven. De Raad heeft de gemachtigde van appellant nogmaals in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat appellant niet in staat is om te werken met medische gegevens te onderbouwen. De gemachtigde heeft daarvan geen gebruik kunnen maken, onder meer omdat appellant inmiddels het land is uitgezet en het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg Hoogezand-Sappemeer, waar appellant onder behandeling is geweest, niet bereid is om aan de gemachtigde van appellant informatie te verstrekken. Naar het oordeel van de Raad is dit een omstandigheid die voor risico van appellant moet blijven. Overigens heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, in de beschikbare medische gegevens aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat de vastgestelde beperkingen zijn onderschat of dat het laatstelijk verrichte eigen werk of de voorgehouden functies niet in overeenstemming met die beperkingen zouden zijn.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x