Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU9376
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Houdt het verzuim verband met ziekte of gebrek? Chronische vermoeidheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/303 WAOCON




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 december 2003, nummer 02/167 WAOCON, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2005, waar appellant is verschenen bij gemachtigde A.B. Froentjes, werkzaam bij het Uwv en waar namens gedaagde is verschenen mr. L. Rijpkema, advocaat te Groningen en kantoorgenoot van mr. Van der Veen.




II. MOTIVERING


Het hoger beroep van appellant begrijpt de Raad beperkt te zijn tot het onderdeel van de aangevallen uitspraak, waarbij appellants besluit van 7 maart 2002, verder: het bestreden besluit, is vernietigd.

Bij het bestreden besluit is ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen een besluit van 13 juni 2001, waarbij gedaagde met ingang van 20 april 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd omdat haar verzuim geen verband houdt met ziekte of gebrek.

De rechtbank heeft gedaagde door de reumatoloog G.A.W. Bruyn en de internist W.J. Fagel laten onderzoeken. Genoemde deskundigen hebben aan de rechtbank gerapporteerd.

In de aangevallen uitspraak, waarin gedaagde "eiseres", appellant "verweerder" en het bestreden besluit "besluit B" worden genoemd, heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"Voorts is de rechtbank van oordeel dat in gevallen waar sprake is van klachten zonder een duidelijke oorzaak, dit in bijzondere gevallen ertoe kan en moet leiden dat er beperkingen aanwezig zijn te achten als gevolg van ziekte of gebrek in de zin van de WAO. Onvoldoende als onderbouwing daarvoor is, de door betrokkene geuite klachten. Dit kan evenwel anders zijn, als het klachtenpatroon voldoende medisch geobjectiveerd is.
In het geval van eiseres hebben zowel de huisarts, de reumatoloog en de internist de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom gesteld. Voorts hebben de deskundigen aangegeven dat dit chronisch vermoeidheidssyndroom bij eiseres heeft geleid tot een verminderde belastbaarheid ten aanzien van arbeid op 21 april 2001 en de 52 weken voorafgaand aan deze datum. Voorts heeft Fagel geconcludeerd dat het chronisch vermoeidheidssyndroom als ziekte (die zich tussen het gebied van het somatische en het psychische afspeelt) gekwalificeerd kan worden. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het klachtenpatroon van eiseres voldoende medisch geobjectiveerd is. Dit betekent dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres ten tijde in geding. Derhalve komt besluit B voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met art. 18 WAO. Het beroep zal gegrond worden verklaard."

In hoger beroep is door appellant onder verwijzing naar een bij het aanvullend beroepschrift gevoegde uitspraak van de Raad van 28 oktober 2003, nummer 01/51 WAO, aangevoerd dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de objectiveringseis. Voorts is volgens appellant geen sprake van een bijzonder geval als in die uitspraak beschreven.
Daartoe heeft appellant verwezen naar een notitie van de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns van 3 april 2004, waarvan het volgende hier wordt weergegeven:

"Kortheidshalve verwijs ik naar de vaste jurisprudentie in deze van de Centrale Raad van Beroep. In mijn eerdere adviezen en notities, zoals ook hierboven al aangehaald, is voor de onderbouwing van mijn conclusies steeds nadrukkelijk aansluiting gezocht bij deze jurisprudentie. Deze is naar mijn stellige mening (meer dan) voldoende duidelijk en toepasselijk in de onderhavige casus.

Er worden bij betrokkene, ondanks werkelijk uitputtend medisch onderzoek in het geheel geen feitelijke afwijkingen/ stoornissen aangetroffen.
Wel is er sprake van een uitgesproken subjectief klachtenpatroon, hetwelk door de diverse beoordelende specialisten, slechts bij ontstentenis van feitelijke afwijkingen, gerubriceerd wordt in dat klachtenpatroon beschrijvende - deels zelfs van elkaar verschillende - 'werk'diagnosen.

Los van dit alles is er bovendien in het geheel geen sprake van enige eenduidigheid ten aanzien van de mogelijkheden van betrokkene tot het verrichten van arbeid; de een acht betrokkene volledig arbeidsongeschikt op grond van de subjectieve klachten, de ander op zijn minst gedeeltelijk arbeidsongeschikt op grond van diezelfde subjectieve klachten.
De verzekeringsarts achtte betrokkene, zoals bekend, niet arbeidsongeschikt, uitgaande van de wettelijke beoordelingscriteria in deze.

Er is m.i., gelet ook op het bovenstaande, zeker geen sprake van een bijzonder geval."

In het verweerschrift in hoger beroep is namens gedaagde gesteld dat zij zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank. Opgemerkt wordt dat inmiddels fors herstel heeft plaatsgevonden; gedaagde is al weer geruime tijd in deeltijd aan het werk gegaan maar haar gezondheidstoestand is nog niet geheel terug op het oude niveau.

De Raad ziet het hoger beroep van appellant doel treffen.

De Raad overweegt dat volgens zijn vaste rechtspraak het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip aldus dient te worden uitgelegd dat van arbeidsongeschiktheid slechts sprake is als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Het geheel van de omtrent gedaagde beschikbare medische gegevens, zowel van verzekeringsgeneeskundige aard als afkomstig van de behandelend sector alsmede uit de rapporten van de deskundigen in aanmerking genomen, stelt de Raad, evenals de bezwaarverzekeringsarts Brouns, vast dat bij gedaagde geen lichamelijke en/of psychische aandoening is vastgesteld op grond waarvan, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf, zou moeten worden aangenomen dat ten aanzien van haar op de datum in geding sprake is van enige wezenlijke op ziekte of gebrek terug te voeren beperking ten aanzien van het verrichten van arbeid.

Gedaagde is door artsen van verschillende disciplines, huisarts, appellants verzekeringsarts en de deskundigen Bruyn en Fagel onderzocht. Daarbij zijn, naar door appellants bezwaarverzekeringsarts Brouns met juistheid is geconstateerd, geen objectiveerbare afwijkingen aangetroffen. De huisarts heeft blijkens de gedingstukken geen reden aanwezig geacht om gedaagde ten tijde als hier van belang te verwijzen naar een medisch specialist en beide deskundigen hebben evenmin aanleiding gevonden om onderzoek door andere specialisten, bijvoorbeeld een psychiater, gewenst te achten.Voor zover door die artsen de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom of fibromyalgie is gesteld - de huisarts heeft beide diagnosen gesteld - is zulks geschied bij ontstentenis van enige andere oorzaak welke kan dienen ter verklaring van gedaagdes klachten, in verband waarmee moet worden vastgesteld dat die diagnosestelling uitsluitend berust op het subjectieve klachtenpatroon van gedaagde zonder dat afwijkingen bij gedaagde zijn vastgesteld die tot beperkingen bij het verrichten van arbeid aanleiding zouden kunnen geven. In het licht van de hiervoor vermelde rechtspraak van de Raad vormt dit een ontoereikende basis voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten, waaronder de WAO.

Hierbij tekent de Raad aan dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak beslissend lijkt te achten of de klachten medisch kunnen worden geobjectiveerd, terwijl in de rechtspraak van de Raad beslissend is of de betrokkene op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid - gedaagde was op 28 uur per week in overheidsdienst werkzaam in licht administratief werk - niet kan of mag verrichten.

Voorts merkt de Raad naar aanleiding van de door mr. Rijpkema ter zitting van de Raad genoemde uitspraak van 10 december 2004, LJN AR7649, op dat in die zaak op basis van de inhoud van door twee internisten uitgebrachte rapporten, welke inhoud aan de hiervoor genoemde objectiveringseis voldeed, de Raad het bestaan van beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid die op ziekte of gebrek berusten heeft aangenomen.

Ten slotte heeft de Raad geoordeeld dat, gelet op het geheel van omtrent gedaagde beschikbare medische verklaringen en rapporten, er geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat in gedaagdes geval sprake zou (kunnen) zijn van het bijzondere geval waarin een toereikende objectieve vaststelling van ongeschiktheid tot werken niet geheel valt uit te sluiten om reden dat bij de (onafhankelijk) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of gebrek die ongeschiktheid precies is toe te schrijven.

In verband hiermee merkt de Raad op dat de deskundigen Bruyn en Fagel onderling bepaald niet eenduidig zijn in hun opvatting over de omvang van de voor gedaagde geldende arbeidsbeperking.

De Raad komt derhalve tot de slotsom dat de medische grondslag voor het bestreden besluit juist is te achten.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Awb geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, kan de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het bestreden besluit, niet in stand blijven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze op het besluit van 7 maart 2002 betrekking heeft;
Verklaart het inleidend beroep tegen dat besluit ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x