Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU9638
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Chauffeur groepsvervoer. Rug- en psychische klachten. Weigering WAO-uitkering. Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/6242 WAO en 04/780 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2003, nummer AWB 02/1866 WAO. De rechtbank heeft bij deze uitspraak het beroep tegen het besluit van 22 maart 2002 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen. Voorts heeft de rechtbank gedaagde veroordeeld in de door appellant gemaakte proceskosten en bepaald dat gedaagde het griffierecht aan appellant vergoedt.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft gedaagde een nieuw besluit op bezwaar van 9 december 2003 ingezonden, genomen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft gedaagde op 7 oktober 2005 een nader rapport van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 5 oktober 2005 ingezonden.

Op 24 november 2005 heeft mr. Van Andel, voornoemd, een verslag van een psychologisch onderzoek door Stichting Intervu ingezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 30 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel, en waar namens gedaagde is verschenen mr. N. Strikwerda, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant was werkzaam als chauffeur groepsvervoer toen hij zich op 24 juli 2000 ziek meldde wegens rugklachten en psychische problemen. De verzekeringsarts heeft medische beperkingen tot het verrichten van arbeid vastgesteld en dit weergegeven in een belastbaarheidsprofiel van 9 april 2001. Volgens de verzekeringsarts ondervond appellant beperkingen bij het verrichten van arbeid wegens chronische rugklachten na twee herniaoperaties en was hij wegens agressiviteit beperkt voor werkzaamheden met een langdurige piekbelasting en conflicthantering op structurele basis. De arbeidsdeskundige heeft, rekening houdend met deze beperkingen, geconcludeerd dat appellant niet langer geschikt was voor zijn eigen werk, maar wel geschikt voor het vervullen van een aantal passende functies, die een dusdanige loonwaarde vertegenwoordigen dat geen verlies aan verdiencapaciteit optreedt. De arbeidsdeskundige heeft als functies aan de schatting ten grondslag gelegd inpakker (Fb-code 9717), printplatenmonteur (Fb-code 8538) en machinebediende (Fb-code 9103). Bij besluit van 11 juni 2001 is aan appellant meegedeeld dat hij ingaande 23 juli 2001 niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

In bezwaar is namens appellant in geding gebracht een verklaring van de behandelend psychiater S. Bissessur van 13 juni 2001, alsmede een verklaring van systeemtherapeut S. van der Hoeven van 6 juli 2001. De bezwaarverzekeringsarts Koek heeft zich blijkens haar rapport van 11 oktober 2001 niet geheel kunnen verenigen met het in de primaire fase vastgestelde belastbaarheidsprofiel. Zij is van oordeel dat appellant niet geschikt is voor nachtdiensten en tevens heeft zij de belastbaarheid op het aspect zitten aangescherpt. Zij geeft aan dat sprake moet zijn van afwisseling in zitten, staan en lopen, waarbij appellant maximaal een half uur mag zitten, waarna vertreden noodzakelijk is. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de geduide functies mede op dit aspect nader beoordeeld en geconcludeerd dat de geduide functies passend zijn. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

In de beroepsfase is namens appellant een nader rapport van behandelend psychiater Bissessur van 17 september 2003 in geding gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat gedaagde de medische beperkingen juist heeft vastgesteld. Ten aanzien van de functie machinebediende/afbinder (Fb-code 9103) heeft de rechtbank echter geoordeeld dat gezien de functiebelasting op het aspect zitten, namelijk 4 uur per dag 1 uur aaneengesloten, zij niet de overtuiging heeft dat dit de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Nu als gevolg hiervan slechts twee functies resteren waarvoor appellant in medisch opzicht geschikt moet worden geacht, wordt niet voldaan aan het in artikel 3 van het Schattingsbesluit gestelde vereiste dat een arbeidsongeschiktheidsschatting op tenminste drie functies moet zijn gebaseerd. De rechtbank heeft dan ook het bestreden besluit vernietigd.

In hoger beroep bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant ingezonden het rapport van een psychologisch onderzoek, in opdracht van behandelend psychiater Bissessur uitgevoerd door drs. M.R. Nauta, klinisch psycholoog-psychotherapeut bij de Stichting Intervu.

Gedaagde heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering ervan een nieuw besluit op bezwaar genomen op 9 december 2003. In dat besluit is opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard. Aan deze schatting is een nieuw arbeidskundig onderzoek voorafgegaan, waarbij als voor appellant geschikte functies zijn geduid samensteller metaal (Fb-code 8463), printplatenmonteur (Fb-code 8538), wikkelaar (Fb-code 8535), inpakker (Fb-code 9717), samensteller electro (Fb-code 8539) en lederwarenmaker (Fb-code 8030).

De Raad overweegt als volgt.

Nu in het nadere besluit van 9 december 2003 niet (geheel) wordt tegemoetgekomen aan de grieven van appellant, wordt het hoger beroep, gezien de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede gericht geacht tegen dit nadere besluit. De Raad stelt voorts vast dat het besluit van 9 december 2003 geheel in de plaats is getreden van hetgeen in het eerdere besluit van 22 maart 2002 is besloten, zodat appellant geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit brengt mee dat het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Zoals uit de in rubriek I weergegeven feiten blijkt is het rapport van het psychologisch onderzoek ingezonden met overschrijding van de tiendagentermijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb. Nu de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het bij de beoordeling betrekken van dit nadere stuk en tevens van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt hier inhoudelijk op te reageren, ziet de Raad geen aanleiding dit stuk buiten beschouwing te laten.

Ter zake van het besluit van 9 december 2003 overweegt de Raad als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde van de juiste medische beperkingen is uitgegaan. Uit de in geding gebrachte medische informatie heeft de Raad niet de overtuiging gekregen dat er op datum in geding sprake was van ernstiger psychische stoornissen bij appellant dan gedaagde heeft aangenomen. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben rekening gehouden met enige psychische beperkingen, met name op het gebied van het hanteren van conflicten, het kunnen omgaan met oplopende werkdruk en voortdurende concentratie. Met een mogelijke verergering van de klachten na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden.

Ten aanzien van het arbeidskundige deel van de schatting ziet de Raad het beroep wel slagen. De verzekeringsarts heeft in het belastbaarheidsprofiel van 9 april 2001 op het aspect zitten vastgesteld dat appellant beperkt is tot een half uur per hele werkdag (categorie 3e). Ook de bezwaarverzekeringsarts Koek is in haar rapport van 11 oktober 2001 tot de conclusie gekomen dat appellant beperkt is op het aspect zitten. In haar rapport heeft zij dit aldus omschreven:

"Ook het langdurig staat (lees: staan), lopen en zitten geeft problemen en zal beperkt moeten worden in duur zoals ook aangegeven wordt op het belastbaarheidsprofiel. Ten aanzien van het zitten kan nog het volgende opgemerkt worden: Betrokkene kan, zoals bij de hoorzitting is gebleken, maximaal een half uur achtereen zitten, bij langer zitten is opstaan en kortdurende staan en/of lopen noodzakelijk. Indien betrokkene een uur achtereen moet zitten is vertreden noodzakelijk. Bij zitten tot een half uur is vertreden binnen het half uur niet noodzakelijk."

De bezwaarverzekeringsarts heeft een aangepast belastbaarheidsprofiel opgesteld en daarbij bij het aspect zitten aangegeven een hele werkdag een uur (categorie 4e) met als extra toelichting “mits vertreden mogelijk tot ˝ uur max aaneengesloten”. Naar het oordeel van de Raad is hier sprake van een verzwaring van de belastbaarheid in bezwaar zonder dat daarvoor een afdoende medische onderbouwing wordt gegeven. Het komt de Raad voor dat indeling in categorie 4e ook niet overeenkomt met hetgeen de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport stelt. De daar beschreven beperking komt overeen met indeling in categorie 3e. Het gestelde in het nader rapport van 5 oktober 2005 heeft de Raad niet kunnen overtuigen van de juistheid van haar standpunt, nu hierin onvoldoende wordt verklaard waarom als beperking is gekozen voor categorie 4e, terwijl ook uit dat rapport blijkt dat voor appellant een beperking geldt van maximaal ˝ uur achtereen zitten, waarna vertreden noodzakelijk is.

De bij het nieuwe besluit op bezwaar van 9 december 2003 geduide functies hebben allemaal als functiebelasting een uur aaneengesloten zitten. Gezien het hiervoor overwogene is de Raad van oordeel dat deze functies, in ieder geval op het aspect zitten, de belastbaarheid van appellant te boven gaan en derhalve niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

Dit leidt tot de conclusie dat het beroep, voorzover geacht gericht te zijn tegen het besluit van 9 december 2003, gegrond verklaard zal worden. Gedaagde dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen.

De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding, aan de zijde van appellant wegens de hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat gericht geacht wordt tegen het besluit van 9 december 2003 gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 87,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van T. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x