Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU9756
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schorsing WAO-uitkering. Betrokkene is haar verplichting tot medewerking inzake een hernieuwde beoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid niet nagekomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5052 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 8 mei 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 27 juni 2001, waarbij onder toepassing van artikel 50, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) de betaling van de aan appellante toegekende uitkering krachtens de WAO met ingang van 1 juli 2001 is geschorst.

De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 26 augustus 2003, registratienummer 02/634 WAO, onder meer het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 3 december 2003 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 23 december 2003, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 oktober 2005, waar appellante in persoon is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. J. Knufman, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aan appellante is bij besluit van 15 juni 2000 met ingang van 29 juni 2000 een uitkering krachtens de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellante is bij brief van 9 mei 2001 opgeroepen om woensdag 23 mei 2001 om 09.00 uur op het spreekuur van een verzekeringsarts te komen voor een hernieuwde beoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid. Appellante is niet op het spreekuur verschenen. Op die dag heeft zij om 12.25 uur telefonisch laten weten dat zij zich had verslapen. In dat telefoongesprek is een nieuwe afspraak gemaakt voor 6 juni 2001 om 11.00 uur. Bij brief van 25 mei 2001 is deze afspraak bevestigd. Op 6 juni 2001 is appellante wederom niet verschenen. Hierin heeft gedaagde aanleiding gezien om bij besluit van 27 juni 2001 de betaling van de aan appellante toegekende uitkering met ingang van 1 juli 2001 te schorsen.

Naar aanleiding van dit besluit heeft appellante op 4 juli 2001 gebeld met een medewerkster van het Uwv. Daarbij heeft zij gesteld de brief van 6 juni 2001 niet te hebben ontvangen. Voorts heeft zij aangegeven dat zij niet kan voldoen aan oproepen voor de ochtend in verband met een slaapstoornis. Bij gelegenheid van dit telefoongesprek is een nieuwe afspraak gemaakt voor 14 augustus 2001 om 13.00 uur. Deze afspraak is appellante nagekomen, waarna gedaagde appellante bij brief van 24 augustus 2001 heeft laten weten dat zij recht heeft op een nabetaling over de periode 1 juli 2001 tot 1 september 2001 in verband met ontschorsing van de uitkering.

Tegen het in rubriek I vermelde besluit van 8 mei 2002 heeft appellante in beroep aangevoerd dat haar niet kan worden verweten dat zij niet is verschenen omdat zij een slaapstoornis heeft. Gedaagde was hiervan op de hoogte en had daarmee dan ook rekening moeten houden. Voorts heeft appellante gesteld dat gedaagde niets heeft ondernomen om haar te helpen. Verder heeft zij gewezen op haar persoonlijke omstandigheden. Tot slot heeft zij betoogd dat haar uitkering te laat weer betaalbaar is gesteld.

Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en gedaagde als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"4.3 De rechtbank stelt allereerst vast dat het geen taak van verweerder was - en is - om medische hulp in gang te zetten of te verlenen met betrekking tot de slaapstoornis van eiseres.
Verder is de rechtbank niet gebleken dat de psychische toestand van eiseres en haar persoonlijke omstandigheden in de betrokken periode zodanig waren dat zij het belang van de oproepingen niet kon inzien en dat zij niet in staat was om verweerder tijdig, dat wil zeggen voor het tijdstip van de afspraak, duidelijk te maken waaruit haar probleem met de oproepingen bestond. In de toelichtingen die eiseres in de stukken en ter zitting heeft gegeven op haar slaapstoornis, haar psychische toestand en haar persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. Eiseres heeft de rechtbank er ook niet van kunnen overtuigen dat zij niet in staat is geweest om - dan maar onuitgeslapen - op de afspraak te verschijnen. Dit geldt te meer voor de tweede afspraak die immers is gemaakt in overleg met eiseres nadat zij niet was verschenen na de eerste oproeping.
De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat eiseres moet worden toegerekend dat zij niet is verschenen.
De conclusie is dat verweerder op grond van duidelijke aanwijzingen tot het oordeel is gekomen dat eiseres een verplichting als genoemd in artikel 25 van de WAO niet is nagekomen. Vervolgens was verweerder ingevolge artikel 50, derde lid, aanhef en onder c, van de WAO gehouden om de betaling van de uitkering van eiseres te schorsen.
4.4 In de omstandigheden dat eiseres, na de schorsing van de betaling van haar uitkering, pas op 14 augustus 2001 op het spreekuur van de verzekeringsarts kon komen en dat zij pas op 1 september 2001 de nabetaling van haar uitkering heeft ontvangen ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat verweerder de betaling van de uitkering ten onrechte heeft geschorst."

De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd - in hoofdzaak een herhaling van het in eerste aanleg aangevoerde - heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. In het bijzonder is appellante er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij om medische redenen buiten staat was om een afspraak in de ochtenduren na te komen. Gegevens van medische aard die haar stelling dienaangaande ondersteunen, zijn door haar niet overgelegd. Voorts wijst de Raad erop dat, naar de gemachtigde van gedaagde te zijner zitting terecht heeft gesteld, van appellante verwacht had mogen worden dat zij al op 6 juni 2001 had gereageerd met de mededeling dat zij zich wederom had verslapen.

Met betrekking tot het beroep van appellante op gedaagdes Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen van 18 april 2000, in het bijzonder op de daarin genoemde termijn van een maand waarbinnen in gevallen als dat van appellante alsnog de gelegenheid moet worden geboden om de verlangde medewerking te verlenen, welke termijn niet in acht is genomen nu zij pas op 14 augustus 2001 op het spreekuur kon komen, overweegt de Raad dat, voorzover het tijdstip met ingang waarvan de schorsing van appellantes uitkering ongedaan is gemaakt al onderwerp van geschil kan zijn, de door appellante genoemde regeling er ook gewag van maakt dat, indien daartoe aanleiding bestaat, een langere termijn kan worden gesteld die niet meer bedraagt dan drie maanden. Gegeven de uitdrukkelijke voorkeur van appellante voor een afspraak met een vrouwelijke verzekeringsarts en de omstandigheid dat de betrokken periode een vakantieperiode betrof, vermag de Raad niet in te zien dat er in het geval van appellante geen aanleiding bestond voor een langere termijn dan een maand.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x