Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU9946
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-01-2006
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ongegrondverklaring van het verzet omdat niet voldoende aannemelijk is gemaakt waarom de verlangde machtiging niet binnen de gestelde termijn is ingediend.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/533 WAO




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposant], beweerdelijk [betrokkene], opposant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Opposant heeft beweerdelijk hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem tussen [betrokkene] en geopposeerde gegeven uitspraak, reg.nr. AWB 04/2048, ter zake van gedaagdes besluit van 22 juli 2004.

Bij uitspraak van 25 mei 2005 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant is van die uitspraak in verzet gekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 december 2005, waar opposant is verschenen en waar geopposeerde - met bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Tengevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of hij bij zijn uitspraak van 25 mei 2005 terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege een niet verschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van de verlangde machtiging.
Hetgeen in het verzetschrift en ter zitting is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan hetwelk is neergelegd in zijn uitspraak van 25 mei 2005.

De Raad merkt hierbij op dat door opposant niet voldoende aannemelijk is gemaakt waarom de verlangde machtiging niet binnen de gestelde termijn, welke eindigde op 24 maart 2005, is ingediend.

Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van de Awb, ongegrond te worden verklaard. Gelet op het zesde lid van laatstgenoemd artikel blijft de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.C. Bruning en prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x