Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AV0309
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vijfdejaarsherbeoordeling. Het benutten van de restcapaciteit om de reeds jarenlang bestaande problematische thuissituatie in goede banen te leiden, is onvoldoende reden voor het aannemen van (een grotere mate van) arbeidsongeschiktheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5210 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 29 december 2000 heeft gedaagde de aan appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 30 december 2000 herzien en nader vastgesteld op 45-55%.

Bij besluit van 13 augustus 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen evenvermeld besluit gegrond verklaard en nader de WAO-uitkering aan appellante per 23 januari 2001 herzien en nader vastgesteld op 45-55%.

Bij uitspraak van 10 september 2002, kenmerk 01/1685 WAO, heeft de rechtbank Arnhem het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2001 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde en bij een tweetal nadere brieven (met bijlagen) aangevulde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 november 2004. Appellante is verschenen in persoon en bijgestaan door mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. J.H. Nuyens, werkzaam bij het Uwv. De raad heeft toen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen om een onderzoek te doen instellen door de psychiater H.A. Droogleever Fortuyn, die op 5 september 2005 rapport van zijn bevindingen (met bijlagen) heeft uitgebracht.
Het geding is voortgezet behandeld ter zitting van de Raad op 9 december 2005. Appellante is niet verschenen. Voor gedaagde is verschenen mr. Nuyens, voornoemd.




II. MOTIVERING


Appellante was sedert 1971 voltijds werkzaam als strijkster toen zij op 16 november 1987 is uitgevallen met psychische klachten in verband waarmee aan haar per 16 november 1988 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer is toegekend.
In het kader van de 5e-jaars herbeoordeling is appellante op 25 mei 2000 onderzocht door de verzekeringsarts L. van Engelen, die mede op basis van van haar huisarts verkregen gegevens lichamelijke en psychische beperkingen heeft vastgelegd in een belastbaarheidspatroon aan de hand waarvan de arbeidsdeskundige P.A.G.M. Kleijnen op 20 november 2000 aan haar functies heeft voorgehouden met het gedurende vier uren per dag vervullen waarvan zij een zodanig inkomen kan verwerven dat de mate van haar (theoretische) arbeidsongeschiktheid 50,39% bedraagt.
Vervolgens is bij het primaire besluit de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 30 december 2000 herzien en nader vastgesteld op 45-55%.

In navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers, die appellante tijdens de hoorzitting op 31 mei 2001 heeft gezien en vervolgens nadere gegevens van de haar behandelend orthopedisch chirurg P.J.A. Schwering heeft gekregen, heeft gedaagde zijn primaire besluit bij het thans bestreden besluit in zoverre bijgesteld dat hij de ingangsdatum van die verlaging nader heeft bepaald op 23 januari 2001.

De rechtbank heeft in de door appellante in beroep ingebrachte, op dossieronderzoek gebaseerde bevindingen van de medisch adviseur drs. A.W. Lechner van 27 september 2001 onvoldoende aanleiding gezien tot het doen instellen van een nader medisch onderzoek door een medische deskundige en het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante een onderzoeksrapport van de arts W. Schuwirth van 21 oktober 2002 ingebracht. Na de zitting op 5 november 2004 heeft de Raad in het geheel van de voorhanden medische en andere gegevens aanleiding gezien tot het doen instellen van een nader medisch onderzoek door de psychiater Drooglever Fortuyn. Deze heeft appellante op 24 maart en 13 april 2005 onderzocht en mede op basis van de dossiergegevens alsook nader opgevraagde medische gegevens op 5 september 2005 rapport uitgebracht. Daarin is hij gekomen tot de conclusies dat hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts (Van Engelen) op 25 mei 2000 vastgestelde belastbaarheid van appellante en dat appellante op 23 januari 2001 in staat was te achten tot het gedurende vier uren per dag verrichten van de aan de aan haar door de arbeidsdeskundige ( Kleijnen) voorgehouden functies verbonden werkzaamheden.

De Raad overweegt als volgt.

In ís Raads jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een door hemzelf ingeschakelde onafhankelijke deskundige volgt, tenzij sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op deze regel.
Naar het oordeel van de Raad doen zodanige omstandigheden zich in dit geval niet voor.
Het rapport van Droogleever Fortuyn laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Bij het begin van zijn onderzoek had deze deskundige de beschikking over de tot dan in het geding gebrachte stukken en in aanvulling daarop heeft hij medische gegevens opgevraagd alsook appellante uitgebreid medisch onderzocht. Zijn conclusies zijn helder, consistent en naar behoren onderbouwd. Appellante heeft naar aanleiding van dat rapport geen medische of andere gegevens ingebracht, laat staan gegevens die twijfel oproepen aan de juistheid van de in dat rapport neergelegde bevindingen en conclusies. En marge van dat rapport tekent de Raad nog aan dat - zoals door de bezwaarverzekeringsarts Gommers in zijn rapport van 9 december 2002 al min of meer is aangegeven - de op zichzelf begrijpelijke keuze van appellante om haar restcapaciteit te benutten in een poging de reeds jarenlang bestaande problematische thuissituatie in goede banen te leiden, onvoldoende reden vormt voor het aannemen van (een grotere mate van) arbeidsongeschiktheid.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Aangezien geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling, beslist de Raad als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x